In deze zaak staat een huurovereenkomst tussen HW Wonen en [gedaagde] centraal, waarbij HW Wonen ontbinding en ontruiming vordert wegens vermeende tekortkomingen van de huurder. De tekortkomingen betreffen het niet hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde, slecht tuinonderhoud, overlast en onheus bejegenen van personeel. Tijdens de zitting bleek dat de overlast inmiddels is gestopt en de tuin netjes is onderhouden.
De huurder heeft aannemelijk gemaakt dat zij haar hoofdverblijf inmiddels wel in de gehuurde woning heeft, mede door het schoolbezoek van haar minderjarige dochter en haar sociale leven in de omgeving. De enkele onheusheid jegens personeel wordt niet als voldoende ernstig beoordeeld. De rechtbank overweegt dat hoewel tekortkomingen in het verleden hebben plaatsgevonden, deze niet van dien aard zijn dat ontbinding gerechtvaardigd is, mede gelet op de belangen van het kind zoals beschermd door het IVRK.
Daarnaast vordert de huurder dat HW Wonen een procedure start tegen haar buren wegens burenterreur. De rechtbank oordeelt dat HW Wonen haar verplichtingen als verhuurder heeft nageleefd door onder meer buurtbemiddeling en mediation aan te bieden, en dat de vordering niet toewijsbaar is omdat niet vaststaat dat HW Wonen tekort is geschoten.
De vordering van HW Wonen tot betaling van onderzoekskosten wordt afgewezen vanwege disproportionaliteit en privacy-inbreuk. De proceskosten worden verdeeld: HW Wonen betaalt de kosten van de conventie en [gedaagde] die van de reconventie. Het vonnis is gewezen door kantonrechter R.R. Roukema en op 12 december 2024 uitgesproken.