De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die ernstig hersenletsel heeft opgelopen en momenteel verblijft in het ziekenhuis. De minderjarige wordt vermoed slachtoffer te zijn van toegebracht letsel, hetgeen nader onderzocht wordt door politie en raadsonderzoek.
De kinderrechter nam de tussenbeschikking en andere stukken in overweging en hield een mondelinge behandeling met gesloten deuren. De Raad en de gecertificeerde instelling stelden dat een plaatsing in een gezinshuis met verpleegkundige begeleiding noodzakelijk is voor de intensieve zorg die de minderjarige behoeft. De moeder verzette zich tegen het verzoek en wilde plaatsing in een babyhuis om de hechtingsrelatie te behouden.
De kinderrechter oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, gelet op het ernstige en vermoedelijk blijvende hersenletsel en het ontbreken van duidelijkheid over de toedracht. De veiligheid van de minderjarige staat voorop zolang het onderzoek loopt. De machtiging wordt daarom verlengd tot 7 februari 2025 en is uitvoerbaar bij voorraad.