Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:13373

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juli 2024
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
FT RK 24-401
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 6 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken toestand van niet-betaling

Verzoekers hebben bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot faillietverklaring van verweerder wegens het niet betalen van opeisbare vorderingen. Verweerder erkent de vordering van één verzoeker en betwist de vordering van de ander. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 9 juli 2024, waarbij partijen aanvullende stukken hebben ingediend.

De rechtbank toetst aan artikel 6 Faillissementswet Pro en stelt vast dat voor faillietverklaring summierlijk moet blijken dat verweerder is opgehouden te betalen en dat er een opeisbare vordering bestaat. Hoewel verweerder de vordering van de eerste verzoeker erkent, is het vorderingsrecht van de tweede verzoeker niet voldoende onderbouwd, mede omdat alleen een whatsappbericht is overgelegd en verweerder gemotiveerd betwist dat deze vordering privé is.

Verder is onduidelijk welke bedragen verweerder aan groepsentiteiten moet betalen en bestaat er een inhoudelijk geschil over de grondslag en hoogte van de vorderingen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat verweerder niet in staat is tot betaling. De rechtbank wijst daarom het faillissementsverzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van toestand van niet-betaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoeker 1]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
en,
[verzoeker 2]
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna tezamen te noemen: verzoekers,
advocaat: mr. G.D. te Biesebeek,
strekkende tot faillietverklaring van:
[verweerder]
wonende te [woonplaats 2] ,
aldaar tevens handelend onder de naam: [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
verweerder.

1.De procedure

De behandeling van het verzoek op 14 mei 2024 is op verzoek van verzoekers aangehouden naar 11 juni 2024 en daarna naar 9 juli 2024. Op 9 juli 2024 zijn gehoord: verzoekers, bij monde van mr. S. Soyçiçek, namens mr. G.D. te Biesebeek, en verweerder.
Ter zitting van 9 juli 2024 zijn door partijen aanvullende producties aan de rechtbank overgelegd.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Standpunten

Standpunt verzoekers
Verzoekers hebben het faillissement van verweerder aangevraagd stellende dat verweerder verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen nu hij de vorderingen van verzoekers onbetaald laat. [verzoeker 1] heeft van verweerder opeisbaar te vorderen een bedrag van € 4.431,08 + P.M. [verzoeker 2] heeft van verweerder ook opeisbaar te vorderen een bedrag van € 6.396,94 + P.M. Daarnaast is verweerder ook nog kosten verschuldigd van in totaal € 1.951,00.
Standpunt verweerder
Verweerder erkent het bestaan van de vordering van [verzoeker 1] en geeft aan deze te kunnen en spoedig te willen betalen. De vordering van [verzoeker 2] wordt betwist. Volgens verweerder heeft [verzoeker 2] geen vordering in privé. Voor zover er nog vorderingen onbetaald zijn gelaten, zijn dat vorderingen van een van de vennootschappen uit de [naam bedrijvengroep] .

3.De beoordeling

Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerder in Nederland ligt.
Beoordelingskader
Ingevolge artikel 6 Faillissementswet Pro wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Vorderingsrecht [verzoeker 1]
Verweerder heeft erkend dat [verzoeker 1] een vorderingsrecht op hem heeft. Daarmee is summierlijk gebleken van het (opeisbare) vorderingsrecht van [verzoeker 1]
Vorderingsrecht [verzoeker 2]
Verweerder heeft betwist dat [verzoeker 2] een vorderingsrecht op hem heeft. De rechtbank is van oordeel dat van het vorderingsrecht van [verzoeker 2] niet summierlijk is gebleken. Ter onderbouwing van het vorderingsrecht in privé zijn geen facturen overgelegd, maar is slechts een kopie van een whatsapp bericht ingebracht waarin [verzoeker 2] aan verweerder aangeeft dat hij meent in privé vorderingen te hebben in verband met een reis naar Londen en een reis naar Oostenrijk. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat [verzoeker 2] in privé een vorderingsrecht heeft. Volgens verweerder heeft [verzoeker 2] vanuit verschillende groepsvennootschappen reizen geboekt bij verweerder, maar niet in privé. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerder een uittreksel uit zijn administratie en diverse facturen aan deze entiteiten overgelegd. Volgens verweerder kan van terugvorderingen in privé daarom ook geen sprake zijn. Verzoekers hebben deze stellingen niet voldoende gemotiveerd weersproken. Het ter zitting overgelegde whatsapp bericht verwijst ook niet naar de vorderingen in privé. Verzoekers zijn er naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in geslaagd aan te tonen dat de gemotiveerde betwisting van verweerder aanstonds verworpen dient te worden.
Pluraliteit en faillissementstoestand
Verzoeksters hebben zich op het standpunt gesteld dat als [verzoeker 2] in privé geen vordering heeft, dit vorderingsrecht wel toekomt aan de groepsentiteiten van waaruit de boekingen zijn verricht. Volgens [verzoeker 1] is ook in dat geval sprake van pluraliteit van schuldeisers en dient het faillissement te worden uitgesproken.
Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet summierlijk gebleken dat verweerder in de toestand verkeert te hebben opgehouden te betalen. Verweerder heeft weliswaar niet weersproken dat een van de groepsvennootschappen van [verzoeker 2] uit hoofde van een reis naar Oostenrijk een vordering heeft; dit gaat volgens verweerder slechts om een vordering van € 697,00 voor een niet gemaakte reis die deels betaald is. Daartegenover staat volgens verweerder dat niet alle facturen inzake (andere) geboekte reizen zijn voldaan. Voorts heeft verweerder aangegeven dat er een inhoudelijk geschil bestaat over de geclaimde bedragen omdat niet duidelijk is gespecificeerd welke bedragen op welke grondslag gevorderd worden. Verzoekers hebben dit ook niet nader onderbouwd. Onzeker is daarom, welk bedrag verweerder aan eventuele groepsentiteiten moet betalen. Ook is onduidelijk aan welke entiteiten. De geclaimde bedragen zijn niet in rechte vastgesteld. Gelet op deze onduidelijkheid en de tussen partijen bestaande discussie over de hoogte en grondslag van de vorderingen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verweerder niet in staat zal zijn de vorderingen te betalen.
Het verzoek tot faillietverklaring wordt daarom afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 23 juli 2024 gegeven door mr. C.G.E. Prenger, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier. [1]