ECLI:NL:RBROT:2024:13373
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens ontbreken toestand van niet-betaling
Verzoekers hebben bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot faillietverklaring van verweerder wegens het niet betalen van opeisbare vorderingen. Verweerder erkent de vordering van één verzoeker en betwist de vordering van de ander. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 9 juli 2024, waarbij partijen aanvullende stukken hebben ingediend.
De rechtbank toetst aan artikel 6 Faillissementswet Pro en stelt vast dat voor faillietverklaring summierlijk moet blijken dat verweerder is opgehouden te betalen en dat er een opeisbare vordering bestaat. Hoewel verweerder de vordering van de eerste verzoeker erkent, is het vorderingsrecht van de tweede verzoeker niet voldoende onderbouwd, mede omdat alleen een whatsappbericht is overgelegd en verweerder gemotiveerd betwist dat deze vordering privé is.
Verder is onduidelijk welke bedragen verweerder aan groepsentiteiten moet betalen en bestaat er een inhoudelijk geschil over de grondslag en hoogte van de vorderingen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat verweerder niet in staat is tot betaling. De rechtbank wijst daarom het faillissementsverzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van toestand van niet-betaling.