De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor zes maanden vanwege zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en langdurige schoolverzuim. De Raad en de gecertificeerde instelling stelden dat een ondertoezichtstelling nodig is om de positieve ontwikkeling te monitoren. De vader voerde verweer en benadrukte dat hij altijd voor zijn zoon heeft gezorgd, dat de schoolproblemen in het verleden te wijten waren aan pesten en dat de situatie nu is verbeterd.
De kinderrechter overwoog dat sinds de voorlopige ondertoezichtstelling in september 2024 een prille positieve ontwikkeling is ingezet: de minderjarige gaat weer met plezier naar school, de vader heeft zijn woning op orde gebracht en er is een goed netwerk van ondersteuning. Tevens is gebleken dat de vader de hulp accepteert en samenwerkt met betrokken instanties. Een nieuwe jeugdbeschermer zou pas worden aangesteld bij een ondertoezichtstelling, wat extra belasting zou betekenen.
Gezien het ontbreken van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling en de acceptatie van hulp door de vader, concludeerde de kinderrechter dat het wettelijk criterium voor ondertoezichtstelling niet is vervuld. Het verzoek van de Raad werd daarom afgewezen. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld.