Verzoeker heeft op 22 november 2024 een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 287, vierde lid, van de Faillissementswet, met het doel een voorlopige voorziening te verkrijgen die de ontruiming van zijn woning door verweerder verhindert. Deze ontruiming was gepland op 3 december 2024 op basis van een vonnis van 23 januari 2024.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van spoedeisendheid, aangezien verzoeker een exploot heeft overgelegd waarin de ontruiming wordt aangekondigd. Bij de belangenafweging weegt de rechtbank het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven wonen in afwachting van de beslissing op zijn verzoeken tot dwangakkoord en schuldsanering, tegen het belang van verweerder, die het vonnis wil uitvoeren.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende termijnen worden voldaan omdat verzoeker onder beschermingsbewind staat en vaste lasten worden betaald. Bovendien is een zitting gepland op 10 januari 2025 waarin de verzoeken worden behandeld, zodat snel duidelijkheid ontstaat. Daarom weegt het belang van verzoeker zwaarder en wordt de voorlopige voorziening toegewezen onder de voorwaarde dat de termijnen tijdig worden voldaan.
De voorziening geldt totdat op de verzoekschriften is beslist of deze worden ingetrokken, en vervalt in ieder geval op het moment van die beslissing. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld.