Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekers;
- [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
- [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: Woonstad).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers, een huishouden met een beperkt inkomen door ziekte en werkloosheid, hebben een huurachterstand opgebouwd en werden geconfronteerd met een ontruimingsvonnis van 14 juni 2024. Zij vroegen op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening (moratorium) om de ontruiming voor zes maanden op te schorten.
De rechtbank constateerde een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoekers, die inmiddels met hulp van schuldhulpverlening hun inkomen hebben weten te verbeteren en de lopende huurtermijnen kunnen voldoen, tegen het belang van verhuurder Woonstad. De rechtbank acht het belang van verzoekers zwaarder, mede omdat een minnelijk schuldhulpverleningstraject is ingezet.
De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen, waaronder tijdige betaling van de lopende huurtermijnen en het op korte termijn starten van budgetbeheer en schuldbemiddeling. Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het nog lopende minnelijk traject.
De ontruiming wordt geschorst voor zes maanden vanaf 4 november 2024 en de huurovereenkomst wordt verlengd voor die periode, zodat verzoekers hun woonsituatie kunnen stabiliseren en hun schulden kunnen regelen.
Uitkomst: De rechtbank schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden en verlengt de huurovereenkomst onder voorwaarden.