De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van bezit van kinderpornografisch materiaal en het vertonen en toezenden van pornografie aan een minderjarige. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf en taakstraf.
Het bewijs bestond uit het aantreffen van duizenden afbeeldingen en video's op de telefoon van verdachte, waarvan 56 als kinderpornografisch werden aangemerkt, en verklaringen van het slachtoffer en diens moeder. Verdachte ontkende bewust bezit en stelde dat de afbeeldingen automatisch werden opgeslagen via een WhatsApp-groep.
De rechtbank oordeelde dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte bewust kinderpornografisch materiaal bezat, mede vanwege de verhouding tussen het aantal kinderpornografische afbeeldingen en het totale aantal afbeeldingen en het ontbreken van aanwijzingen dat verdachte de bestanden bewust had bekeken of opgeslagen. Ook kon niet worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de ontvanger van de afbeeldingen minderjarig was.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De in beslag genomen telefoons werden onttrokken aan het verkeer vanwege de aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal. Het vonnis werd uitgesproken op 8 november 2024 door de meervoudige kamer Strafrecht van de rechtbank Rotterdam.