ECLI:NL:RBROT:2024:13426
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen uitstel beslissing voorwaardelijke invrijheidstelling gegrond verklaard
De veroordeelde is in Duitsland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1461 dagen, welke straf in Nederland wordt uitgevoerd. Op grond van artikel 6:2:10 Sv Pro kwam hij op 28 mei 2024 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie stelde de beslissing hierover eerst uit met 90 dagen en later met 150 dagen. De veroordeelde maakte bezwaar tegen het laatste uitstel omdat deze periode te lang was, mede omdat hij niet wilde worden geplaatst bij de beschermde woonvorm die voor hem was geregeld.
Tijdens de behandeling in raadkamer werd onder meer een deskundige van de reclassering gehoord. De veroordeelde had inmiddels een intake gehad bij een andere beschermde woonvorm en er waren ook mogelijkheden voor zelfstandige woonruimte met begeleiding. De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot uitstel kon besluiten, maar dat de termijn van 150 dagen te lang was gezien het eerdere uitstel van 90 dagen.
De rechtbank stelde het uitstel vast op 120 dagen en bepaalde dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op 24 december 2024 zou ingaan. Hiermee werd het bezwaar van de veroordeelde gegrond verklaard. De beslissing werd genomen in aanwezigheid van de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de beslissing over voorwaardelijke invrijheidstelling is gegrond verklaard en het uitstel beperkt tot 120 dagen.