De rechtbank Rotterdam heeft op 20 december 2024 de bevoegdheid aanvaard om te beslissen over de ouderlijke verantwoordelijkheid van twee minderjarigen die een bijzondere band met Nederland hebben. Dit verzoek kwam van de Zweedse autoriteit, die via de liaisonrechter een verzoek indiende omdat de kinderen inmiddels in Nederland verblijven en de Nederlandse rechter beter in staat wordt geacht hun belang te beoordelen.
De minderjarigen zijn in Nederland geboren, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden tot 2021 in Nederland. Na het overlijden van hun moeder in Zweden en de detentie van hun vader verblijven zij nu bij hun tante in Nederland. De rechtbank overwoog dat de overdracht van bevoegdheid in het belang van de kinderen is, mede omdat de Nederlandse rechter sneller en efficiënter kan handelen.
De rechtbank wees er op dat er een lopende voogdijprocedure in Zweden was, maar dat de Zweedse autoriteit die procedure diezelfde dag zou intrekken, waardoor geen sprake meer is van litispendentie. De aanvaarding van bevoegdheid betekent niet dat de lopende procedure wordt overgedragen; een nieuw verzoek moet in Nederland worden ingediend.
De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door kinderrechter S. Wierink en griffier L.M. de Witte. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.