Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn woonruimte opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 29 december 2022. Verzoeker ontvangt een uitkering en is toegelaten tot een minnelijk schuldsaneringstraject, waarbij de situatie als stabiel en beheersbaar wordt beoordeeld.
Verweerster stond aanvankelijk op afwijzing, maar trok dit in en stemde in met een betalingsregeling mits de huur tijdig wordt voldaan. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De voorlopige voorziening wordt onder de voorwaarde toegewezen dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 11 januari 2024, met een rapportageverplichting van Avres als schulddienstverlener.