In de zaak betreffende de verlenging van de terbeschikkingstelling van een ter beschikking gestelde, diende de rechter een verzoek tot verschoning in nadat de ter beschikking gestelde tijdens de zitting van 8 februari 2024 een wrakingsverzoek had ingediend. Dit verzoek werd ingetrokken, waarna de waarnemend raadsvrouw vroeg of de rechter zich wilde verschonen.
De rechter motiveerde het verzoek met het feit dat hij enkele jaren eerder in een andere functie had beslist dat de ter beschikking gestelde ter observatie naar het Pieter Baan Centrum moest worden gestuurd, wat aanleiding gaf tot de vrees van partijdigheid. De rechtbank beoordeelde dat er geen formeel beletsel was en dat de rechter subjectief onpartijdig bleef.
Echter, de rechtbank stelde vast dat de omstandigheden objectief een zwaarwegende aanwijzing vormen dat de vrees voor onpartijdigheid gerechtvaardigd is. Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en ondertekend op 22 februari 2024.