In deze zaak verzocht een rechter van de rechtbank Rotterdam zich te mogen verschonen van de behandeling van een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, zoon van mevrouw A. De reden voor het verzoek was dat de moeder het gevoel had dat de rechter niet objectief was vanwege eerdere stevige standpunten over verlenging van de ondertoezichtstelling.
De rechtbank overwoog dat verschoning een middel is om onpartijdigheid te waarborgen en dat een rechter in principe onpartijdig wordt vermoed, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De rechtbank stelde vast dat er geen aanwijzingen waren voor subjectieve partijdigheid van de rechter, maar dat de omstandigheden en het feit dat de rechter zelf om verschoning vroeg, een zwaarwegende aanwijzing vormden voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor schade aan de rechterlijke onpartijdigheid.
Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen. Dit betekent dat de behandeling van de ondertoezichtstellingszaak door een andere rechter zal plaatsvinden om de onpartijdigheid en het vertrouwen in de rechtspraak te waarborgen.