ECLI:NL:RBROT:2024:1425

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 februari 2024
Publicatiedatum
27 februari 2024
Zaaknummer
C/10/668204 / HA ZA 23-950
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 sub a RvArt. 71 lid 2 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kantonrechter wegens vordering onder €25.000

In deze civiele procedure vordert de man een betaling van €7.414 van de vrouw, met daarnaast proceskosten. De rechtbank Rotterdam heeft vastgesteld dat de waarde van de vordering onder de competentiegrens van €25.000 ligt, waardoor de zaak volgens artikel 93 sub a Rv Pro behoort tot de kantonrechter.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen tot verwijzing. De man stemde hiermee in, terwijl de vrouw de voorkeur gaf aan behandeling door de handelskamer vanwege mogelijke vertraging. Desondanks is de zaak ambtshalve verwezen naar de kamer voor kantonzaken conform artikel 71 lid 2 Rv Pro.

De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat zij niet hoeven te verschijnen op de rolzitting van 5 maart 2024, dat zij in de verdere procedure zonder advocaat kunnen optreden, en dat het griffierecht wordt verlaagd en teruggestort conform artikel 8 lid 4 WGBZ Pro. Het vonnis is uitgesproken op 21 februari 2024 door rechter M. de Geus.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak ambtshalve naar de kamer voor kantonzaken vanwege de vordering onder de €25.000.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/668204 / HA ZA 23-950
Vonnis van 21 februari 2024
in de zaak van
[eiser01],
wonende te [woonplaats01] ,
eiser,
advocaat mr. F.C. Frederiks te Zwijndrecht,
tegen
[gedaagde01],
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde,
advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 25 juli 2023, met producties 1 tot en met 7;
  • de akte wijziging eis van 20 december 2023, met productie 8;
  • de conclusie van antwoord van 20 december 2023, met productie 1;
  • de oproepingsbrieven van deze rechtbank van 29 december 2023;
  • de akte van de man tegen roldatum 1 maart 2024, ingekomen op 12 januari 2024, met drie producties, genummerd 8 tot en met 10;
  • de brief van de vrouw van 12 januari 2024, ingekomen op 15 januari 2024, met producties 2 en 3;
  • het bericht van de rechtbank aan partijen per e-mail van 15 februari 2024 met het voornemen tot verwijzing van de zaak naar de sector kanton, opdat partijen in de gelegenheid zijn te reageren op dat voornemen;
  • de reactie per e-mail van de man van 15 februari 2024;
  • de reactie per e-mail van de vrouw van 15 februari 2024;
  • het bericht van de rechtbank aan partijen van 16 februari 2024 dat het verwijzingsvonnis zo spoedig mogelijk volgt en dat de zitting, gepland op 1 maart 2024, geen doorgang vindt.

2.De overwegingen

2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank (team handel en haven) moet de onderhavige zaak, gelet op het beloop van de vordering, verder worden behandeld en beslist door de kantonrechter. De rechtbank zal de zaak daarom ambtshalve verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Hieronder wordt dat toegelicht.
2.2.
In deze procedure vordert de man, na wijziging van eis, de rechtbank (team handel en haven) om de vrouw te veroordelen:
I. om aan de man te betalen € 7.414,-; en
II. in de proceskosten.
2.3.
Bij conclusie van antwoord heeft de vrouw geantwoord op de vorderingen van de man na eiswijziging, zonder dat zij enig bezwaar heeft geuit tegen de eiswijziging.
2.4.
De rechtbank heeft partijen met haar e-mail van 15 februari 2024 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het verwijzen van deze zaak naar de sector kanton in deze rechtbank vanwege de hoogte van de gewijzigde vordering. Partijen hebben zich hierover uitgelaten in hun e-mails van 15 februari 2024. De man is akkoord met verwijzing. De vrouw heeft de voorkeur dat de zaak door de handelskamer wordt behandeld omdat verwijzing tot vertraging zal leiden.
2.5.
De rechtbank stelt vast dat de waarde van de vordering van de man € 7.414,- bedraagt. Dit overschrijdt niet de competentiegrens van € 25.000,-, waardoor de zaak behoort tot de competentie van de kantonrechter (art. 93 sub a Rv Pro).
2.6.
Op grond van artikel 71 lid 2 Rv Pro moet de rechtbank de zaak dan ambtshalve verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. De rechtbank zal dat daarom ook doen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam, op
dinsdag 5 maart 2024om
10:00 uur;
3.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2024.
[3718/638]