De officier van justitie verzocht de rechtbank Rotterdam om een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) te verlenen voor betrokkene, die lijdt aan recidiverende psychoses in het kader van schizofrenie. Betrokkene verblijft momenteel in een kliniek en werkt vrijwillig mee aan zijn opname en medicatiegebruik, hoewel hij last heeft van bijwerkingen.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde betrokkene dat het goed met hem gaat, hij zijn medicatie volgens voorschrift gebruikt en openstaat voor overleg over medicatiewijzigingen. De behandelaars achten een nieuwe zorgmachtiging noodzakelijk vanwege het risico dat betrokkene zonder gedwongen zorg stopt met medicatie en agressief wordt, en om ambulante begeleiding te waarborgen na verhuizing naar eigen woonruimte.
De rechtbank stelt echter vast dat betrokkene geen verzet toont tegen de zorg en dat het dreigend ernstig nadeel dat gedwongen zorg rechtvaardigt, op dit moment toereikend wordt ondervangen binnen het lopende behandeltraject. Gezien de vrijwillige medewerking en beperkte doelmatigheid van een nieuwe zorgmachtiging, wijst de rechtbank het verzoek af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging wordt afgewezen vanwege vrijwillige medewerking en onvoldoende noodzaak voor gedwongen zorg.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/673033 / FA RK 24-818
Referentienummer: [nummer01]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 9 februari 2024 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 vanPro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene01],
geboren op [geboortedatum01] 1992 te [geboorteplaats01] ,
hierna: betrokkene,
op dit moment verblijvende in Antes te Poortugaal,
advocaat mr. H. van der Wal te Bergschenhoek.
1.Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 1 februari 2024.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [psychiater01] , psychiater, van 30 januari 2024;
de niet ingevulde zorgkaart;
het zorgplan van 11 januari 2024;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
de relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene;
het bericht dat er geen relevante politiegegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 februari 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[arts01] , arts, en [naam01] , verpleegkundig specialist in opleiding, beiden verbonden aan Antes (hierna: de behandelaars).
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2.Beoordeling
2.1.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat bij betrokkene sprake is van recidiverende psychoses in het kader van schizofrenie, waarbij hij angstig en achterdochtig is. In het verleden zou in de beschermde woonvorm sprake zijn geweest van bedreiging van personeel, waardoor betrokkene zijn woning is kwijtgeraakt. In de kliniek trekt betrokkene
zich veel terug op zijn kamer, plaatst hij lege blikjes voor zijn deur zodat hij mensen hoort aankomen, en maakt hij bij tijden een angstige indruk.
Tijdens de mondelinge behandeling vertelt betrokkene dat het goed met hem gaat. Hij neemt zijn medicatie volgens voorschrift in en ervaart hierdoor minder stress. Wel heeft hij last van bijwerkingen, waarvoor hij eveneens medicijnen krijgt. Betrokkene staat op de wachtlijst voor een eigen woning en werkt één à twee keer per week in de winkel van een kennis. Hoewel betrokkene het stressvol vindt om opgenomen te zijn, is hij niet van plan om de kliniek te verlaten, aangezien hij buiten de kliniek geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
De behandelaars verklaren dat betrokkene binnen de kliniek een teruggetrokken bestaan leidt. Betrokkene is achterdochtig, geeft geen inzicht in zijn belevingswereld en heeft geen ziektebesef, waardoor geen intrinsieke motivatie bestaat om medicatie te gebruiken. Met een verhoging van de dosering van de medicatie zou betrokkene mogelijk minder achterdochtig zijn en beter toegankelijk bij de verdere behandeling. Betrokkene weigert echter om wijzigingen in de medicatie te accepteren. De behandelaars achten een nieuwe zorgmachtiging noodzakelijk om te voorkomen dat hij eventueel volledig stopt met het gebruik van medicatie en daardoor agressief kan worden. Een zorgmachtiging is daarnaast nodig om ervoor te zorgen dat ook wanneer betrokkene eigen woonruimte heeft, hij in contact blijft met de begeleiding.
Betrokkene ontkent dat met hem eerder is gesproken over een eventuele wijziging van de medicatie en zegt dat hij ervoor openstaat om dit met de behandelaars nader te bespreken. Hij relativeert de door de behandelaars genoemde aanwijzingen dat hij achterdochtig zou zijn en benoemt daarbij dat hij binnen de kliniek weinig privacy heeft. Betrokkene ziet geen aanleiding voor een nieuwe zorgmachtiging, omdat hij vrijwillig meewerkt aan de behandeling. Het stoort hem dat alles wat hij zegt door medewerkers van de kliniek wordt geduid als uitingen van psychose en achterdocht.
2.2.
De advocaat voert namens betrokkene aan dat geen sprake is van verzet tegen de benodigde zorg, omdat betrokkene vrijwillig medicatie gebruikt en ook in de kliniek wil blijven totdat hij eigen woonruimte heeft. De behandelaars verklaren desgevraagd dat zij niet verwachten dat betrokkene zal weglopen uit de kliniek, maar achten een zorgmachtiging vooral nodig bij het te voeren medicatiebeleid – om betrokkene verder te stabiliseren ter voorbereiding op zijn verhuizing naar een eigen woning –, en voor de ambulante begeleiding in de periode daarna.
De rechtbank is, conform het standpunt van de advocaat van oordeel dat bij betrokkene op dit moment geen sprake is van verzet. Betrokkene heeft verklaard voorlopig in de kliniek te willen blijven en zegt ook open te staan voor een gesprek met de behandelaars over zijn medicatie. Voor zover betrokkene zich op dit punt eerder wel zou hebben verzet, stelt de rechtbank vast dat onder de lopende zorgmachtiging kennelijk geen mogelijkheden zijn gevonden om de dosering van de medicatie te verhogen, zoals volgens de behandelaars wenselijk zou zijn. De rechtbank betrekt daarom ook de doelmatigheid van een nieuwe zorgmachtiging in haar oordeel. Zij constateert dat door de behandelaars gesignaleerd dreigend ernstig nadeel op dit moment toereikend wordt ondervangen binnen het lopende behandeltraject en dat betrokkene daar voldoende aan meewerkt. De rechtbank acht de noodzaak van gedwongen zorg daarom op dit moment onvoldoende aangetoond.
2.3.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat niet is voldaan aan de criteria van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
3.Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 9 februari 2024 mondeling gegeven door mr. J.M.L. van Mulbregt, rechter, in tegenwoordigheid van T.M. Helleman, griffier, en op 21 februari 2024 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.