Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:1532

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 maart 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
ROT 23/6675
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen besluit CBR wegens termijnoverschrijding

De rechtbank Rotterdam heeft op 28 maart 2024 uitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke zaak tussen eiser en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Het geschil betrof de niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar door het CBR wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift.

Het CBR had het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na bekendmaking van het besluit was ingediend. De rechtbank toetste of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was, maar concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig was verzonden. Zo ontbrak een poststempel en was het bezwaarschrift pas op 2 augustus 2023 ontvangen, terwijl de termijn op 19 juli 2023 eindigde.

De rechtbank overwoog dat het telefonisch contact van eiser met het CBR en de datum op het bezwaarschrift niet tot een andere conclusie leiden. Ook het feit dat het bezwaarschrift via een derde moest worden doorgestuurd, maakte de overschrijding niet verschoonbaar. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6675

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2024 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser

en

De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het CBR van 6 september 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Het CBR heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet op tijd bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen van het bezwaar niet verschoonbaar is. Het CBR heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [4] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [5] Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen. Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het bezwaarschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het bezwaarschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan. Als op de enveloppe geen (leesbaar) poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het bezwaarschrift tijdig op de post is gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de bezwaartermijn is ontvangen. De rechtbank wijkt alleen van dit laatste uitgangspunt af als op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het bezwaarschrift later dan de laatste dag van de termijn op de post is gedaan.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [6]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
4. Het staat vast dat het CBR het besluit (waartegen bezwaar is gemaakt) heeft bekendgemaakt op 6 juni 2023 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 19 juli 2023.
4.1.
Op geen enkele wijze kan worden vastgesteld dat het bezwaarschrift door eiser op tijd ter post is afgegeven. Zo is geen sprake van een aangetekende verzending vanuit het buitenland waar eiser op dat moment verbleef en geen sprake van een poststempel waaruit de datum van afgifte blijkt. Ook is niet gebleken van een fout van PostNL. Het CBR heeft het bezwaarschrift ontvangen op 2 augustus 2023. Dat is later dan de tweede werkdag na afloop van de bezwaartermijn. De stelling van eiser dat het bezwaarschrift is gedateerd op 17 juli 2023 leidt ook niet tot een andere conclusie, omdat dit niets zegt over het moment van verzending. Daar komt bij dat eiser zelf heeft verklaard dat hij het bezwaarschrift vanuit het buitenland eerst naar zijn zus heeft verstuurd, die het vervolgens had moeten doorsturen. Het telefonisch contact dat eiser op 14 juni 2023 met het CBR heeft gehad kan evenmin leiden tot een andere conclusie. Eiser stelt dat hij tijdens dat contact heeft aangegeven het niet eens te zijn met het besluit en na dat contact wachtte op een telefoontje van het CBR. Uit het verweerschrift en bijgevoegde telefoonnotitie blijkt dat eiser er tijdens dat telefoongesprek op is gewezen dat hij schriftelijk bezwaar moet maken en dit moet opsturen naar het CBR. Al met al is niet gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

5. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
5.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.