De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2021, die sinds kort na geboorte in een pleeggezin verblijft. De kinderrechter heeft op 13 februari 2024 de mondelinge behandeling voortgezet en de verlenging van beide maatregelen voor de resterende periode van tien maanden toegekend.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, maar het contact en de opvoedcapaciteiten zijn onvoldoende gebleken om een thuisplaatsing te realiseren. De moeder verblijft met de minderjarige in een moeder-kind-huis en toont verbetering, maar het verleden en de instabiliteit van beide ouders maken een terugplaatsing nog niet verantwoord. De Raad voor de Kinderbescherming heeft het gezag van de ouders inmiddels ter beëindiging aanbevolen.
De kinderrechter verwijst naar eerdere beschikking en het arrest van de Hoge Raad over de toepasselijkheid van het perspectiefbesluit. Gezien het belang van het kind en de ontwikkelingsbedreiging is de voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin noodzakelijk. Verzoeken van ouders tot kortere duur van uithuisplaatsing worden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.