ECLI:NL:RBROT:2024:1714

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 januari 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
C/10/670132 / JE RK 23-2811
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens ontbreken gronden

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen tot zes maanden. De kinderen wonen bij hun moeder en er is sprake van weerstand bij de kinderen tegen omgang met hun vader. De GI heeft het ouderschapsbemiddelingstraject ingezet, maar het contactherstel met de vader is niet van de grond gekomen.

De vader en zijn advocaat pleitten voor verlenging omdat zonder ondertoezichtstelling geen contactherstel mogelijk zou zijn, mede door de houding van de moeder en het gebrek aan actieve hulpverlening. De moeder en school stelden dat er geen zorgen zijn over de kinderen en dat contactherstel niet realistisch is.

De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BW Pro niet meer aanwezig zijn. Er is geen ernstige ontwikkelingsbedreiging en het enkel tot stand brengen van omgang met de vader is geen toereikende grond voor verlenging. Het verzoek is daarom afgewezen, maar het traject bij Enver wordt gecontinueerd in het belang van de kinderen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van de wettelijke gronden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/670132 / JE RK 23-2811
Datum uitspraak: 8 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2008 in [plaats01] ,
hierna te noemen [minderjarige01] ,
[minderjarige02], geboren op [geboortedatum02] 2010 in [plaats01] ,
hierna te noemen [minderjarige02] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam02],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats01] ,
advocaat mr. S. Burger, te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 4 december 2023;
- het verweerschrift van mr. S. Burger met bijlagen van 4 januari 2024;
- een e-mailbericht van de moeder met bijlagen van 7 januari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI, te weten [naam03] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. In het e-mailbericht van 7 januari 2024 heeft de moeder aangegeven dat zij niet aanwezig zal zijn bij de zitting.
1.3.
De minderjarigen [minderjarige01] en [minderjarige02] hebben hun mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] en [minderjarige02] .
2.2.
[minderjarige01] en [minderjarige02] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 10 juli 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] verlengd tot 19 januari 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek niet gehandhaafd en dit als volgt nader toegelicht.
Er zijn onvoldoende gronden om de ondertoezichtstelling te verlengen. Er zijn geen directe zorgen over de kinderen. Volgens school gaat het op didactisch gebied goed met hen. Door weerstand van de kinderen is de omgang met hun vader nog niet van de grond gekomen. Daarom is ervoor gekozen om therapie voor de kinderen in te zetten. Het vertrouwen bij de kinderen in hun vader moet eerst hersteld worden. Zolang de kinderen weerstand hebben, zal het forceren van omgang ten koste van hun ontwikkeling gaan. Wel kan het traject ouderschapsbemiddeling van Enver worden gemonitord. Enver is gestart met gesprekken met de kinderen. Vanwege langdurige afwezigheid van de jeugdbeschermer wordt de ondertoezichtstelling al een geruime periode niet meer uitgevoerd. Indien de ondertoezichtstelling wordt verlengd, komt het gezin door personeelsgebrek bij de GI op de wachtlijst voor een nieuwe jeugdbeschermer.
4.2.
Namens de vader heeft zijn advocaat ter zitting aangegeven dat het noodzakelijk is dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.
Indien de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, zal contactherstel tussen de vader en de kinderen niet worden bereikt. Wegens het niet uitvoeren van de ondertoezichtstelling is het contactherstel niet van de grond gekomen. Hulpverlening in het vrijwillige kader is ontoereikend vanwege de houding van de moeder. De hulpverlening voor de kinderen wordt immers door haar afgehouden. Een actievere houding van de jeugdbescherming is nodig om contact tussen de vader en de kinderen te herstellen. Het is kwalijk dat de jeugdbescherming het zo laat liggen. Zo moet de GI het traject bij Enver blijven monitoren.
4.3.
De moeder heeft schriftelijk verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Volgens school zijn er geen zorgen over [minderjarige01] en [minderjarige02] . Er zijn doelen niet behaald. Dit is met name te wijten aan de weigerachtige houding van de vader en het gebrek aan hulpverlening. Vanwege de leeftijd van de kinderen en de opstelling van de vader in de afgelopen jaren is er geen vooruitzicht op contactherstel. De kinderen willen dit ook niet.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling, zoals gesteld in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, niet meer aanwezig zijn.
5.2.
De kinderrechter overweegt het volgende.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de GI de afgelopen periode het ouderschapsbemiddelingstraject van Enver heeft ingezet en dat door middel van gesprekken tevergeefs is getracht om de omgang tussen de kinderen en hun vader tot stand te brengen. Het is een verdrietige situatie dat er nog steeds geen contact is tussen hen. De kinderen lijken weerstand te hebben tegen contact en omgang met hun vader. Gezien hun leeftijd en de huidige omstandigheden lijkt het niet reëel dat de inzet van een jeugdbeschermer, die momenteel en ook binnen afzienbare tijd niet beschikbaar is, een verandering in de situatie zal bewerkstelligen. Er zijn momenteel geen signalen dat de kinderen last hebben van het gebrek aan omgang met hun vader. Daar komt bij dat volgens vaste rechtspraak uitsluitend het tot stand brengen of houden van omgang met een ouder geen toereikende motivering oplevert voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige. Bovendien zijn er over het algemeen geen zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, zoals door de GI ter zitting is toegelicht, en is er om die reden geen sprake meer van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen.
5.4.
Gelet op al het vorenstaande zal de kinderrechter het verzoek afwijzen, nu aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, niet langer wordt voldaan. Wel acht de kinderrechter het in het belang van de kinderen dat het traject bij Enver zal worden voortgezet.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de GI af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2024 door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter, in aanwezigheid van D. van der Aa en
mr. N.E. Moerkerken als griffiers, en op schrift gesteld op 18 januari 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.