ECLI:NL:RBROT:2024:1864
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bestuurlijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen op exploitatievergunning
Eiseres diende op 8 juli 2020 een aanvraag in voor een exploitatievergunning bij de burgemeester van Rotterdam. Nadat de burgemeester niet binnen de wettelijke termijn had beslist, stelde eiseres op 2 oktober 2020 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De burgemeester ontkende aanvankelijk ontvangst van de aanvraag, maar eiseres overhandigde verzendbewijzen waaruit bleek dat de aanvraag en een ingebrekestelling aangetekend waren verzonden en ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester op 28 januari 2021 alsnog op de aanvraag heeft beslist, maar dit was niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling. Hierdoor was sprake van een te late beslissing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde vast dat de burgemeester een bestuurlijke dwangsom verschuldigd was voor de periode van 42 dagen na de ingebrekestelling.
De dwangsom werd vastgesteld op het maximale bedrag van €1.442,-. Daarnaast werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Zoethout op 7 maart 2024.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- op aan de burgemeester wegens niet tijdig beslissen.