Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- [verzoeker01] , verzoeker;
- mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b van de Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen bij vonnis van 7 juni 2019. Verzoeker verklaarde dat hij als zelfstandige voldoende inkomsten verwacht om de huur te betalen en dat de huur over december 2023, januari en februari 2024 reeds is voldaan.
Verweerster, de verhuurder, maakte geen bezwaar tegen het verzoek mits het vonnis alsnog kan worden uitgevoerd indien de lopende huur niet wordt betaald. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming op 9 januari 2024 zou plaatsvinden.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in de woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de betaling van de lopende huur en het ontbreken van verzet van verweerster, acht de rechtbank toewijzing passend.
De voorziening wordt voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.