ECLI:NL:RBROT:2024:2036

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
ROT 21/834 V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk verklaard tegen afwijzing beroep wegens niet betaald griffierecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 8 maart 2024 uitspraak gedaan over het verzet van een opposante tegen een eerdere uitspraak van 28 oktober 2022. De rechtbank had het beroep van opposante niet-ontvankelijk verklaard omdat het verschuldigde griffierecht van €360,- niet volledig was voldaan.

De opposante stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en verzocht om een zitting. Tijdens de zitting op 30 januari 2024 was de opposante aanwezig, de verweerder niet. De rechtbank beoordeelde of het verzet ontvankelijk was en concludeerde dat het verzetschrift geen gronden bevatte. Ondanks een verzoek om herstel van dit verzuim binnen twee weken, werden geen tijdige gronden aangevoerd.

De rechtbank oordeelde dat het verzet daarom niet-ontvankelijk is en dat de eerdere uitspraak in stand blijft. Tevens wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat niet kon worden vastgesteld dat de opposante de procedure wenste te starten en daardoor schade had geleden. Een verzoek om terugbetaling van een deel van het griffierecht werd toegewezen.

De uitspraak is gedaan door rechter S.E.C. Debets en griffier S.J. Veth en is openbaar uitgesproken op 8 maart 2024. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/834 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2024 op het verzet van

[naam opposante] B.V., opposante

(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 oktober 2022 in het geding tussen
opposante,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [naam verweerder] , verweerder.

Procesverloop

Bartels heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente [naam verweerder] van 31 december 2020 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 28 oktober 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bartels heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld en verzocht te worden gehoord.
De rechtbank heeft het verzet op 30 januari 2024 op zitting behandeld. Bartels is verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat Bartels het verschuldigde griffierecht van € 360,- niet volledig heeft betaald.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Daarvóór moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of het verzet ontvankelijk is.
4. Een verzetschrift dient op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Awb in combinatie met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb gronden te bevatten.
5. Het verzetschrift van 7 december 2022 bevat geen gronden De rechtbank heeft Bartels daarom bij brief van 16 december 2022 verzocht om dit verzuim binnen twee weken te herstellen. Bartels is in die brief gewezen op het risico van niet-ontvankelijk verklaring.
6. Bartels heeft bij brief van 29 december 2022, ontvangen op 2 januari 2023, geantwoord dat de gronden van verzet reeds zijn genoemd, in die brief worden herhaald en nog nader zullen worden aangevuld. De rechtbank stelt vast dat Bartels in het verzetschrift van 7 december 2022 en in de brief van 29 december 2022 (voor zover die brief gelet op de ontvangstdatum al bij de beoordeling kan worden betrokken) geen gronden heeft aangevoerd tegen de uitspraak van 28 oktober 2022, waarin het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet tijdig voldoen van het volledige griffierecht.
7. De rechtbank oordeelt dat Bartels niet tijdig gronden van verzet heeft ingediend. De brief van 30 december 2023en wat Bartels hierover ter zitting naar voren heeft gebracht is buiten de gegeven herstelverzuimtermijn van twee weken en dus te laat. Niet gebleken is dat het verzuim verschoonbaar is. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
8. Bartels heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat [naam opposante] B.V. Bartels heeft gemachtigd om beroep in te stellen. Op 10 februari 2021 heeft de rechtbank het beroepschrift ontvangen. Bij brief van 15 februari 2021 heeft de rechtbank onder meer verzocht om een schriftelijke machtiging en een uittreksel van de Kamer van Koophandel dat niet ouder is dan één jaar. Hoewel Bartels beide stukken heeft aangeleverd, ziet het uittreksel van de Kamer van Koophandel op [naam bedrijf] B.V. en niet op [naam opposante] B.V.. Omdat niet kan worden vastgesteld dat [naam opposante] B.V. beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten, kan ook niet worden vastgesteld dat [naam opposante] B.V. immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Bartels heeft op de zitting verzocht om terugstorting van € 36,- aan griffierecht dat hij na de uitspraak van 28 oktober 2022 heeft betaald. De rechtbank merkt hierover op dat de griffier aan het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak de opdracht heeft gegeven om het na de uitspraak van 28 oktober 2022 betaalde griffierecht van € 36,- terug te storten. Dit doet verder niet af aan wat hiervoor is overwogen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.J. Veth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2024.
griffier
rechter

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.