ECLI:NL:RBROT:2024:2055
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken rechtsgeldige machtiging bij WOZ-waarde
De rechtbank Rotterdam heeft op 8 maart 2024 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke beroep van Bartels tegen de heffingsambtenaar van de gemeente betreffende de WOZ-waardebepaling van een onroerende zaak. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld en de aanslag opgelegd, waarna Bartels bezwaar maakte dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Bartels stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
De rechtbank oordeelde dat het beroepschrift niet voldeed aan de vereisten van een geldige machtiging. De overgelegde machtiging en het uittreksel uit het handelsregister waren gedateerd ruim voor het opleggen van de aanslag en het instellen van het beroep, waardoor niet kon worden vastgesteld wie op het moment van beroep de bevoegde bestuurders waren. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat Bartels gerechtigd was namens de B.V. beroep in te stellen, wat leidde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Daarnaast verzocht Bartels om een vergoeding voor immateriële schade wegens een vermeende overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn niet was overschreden, mede gelet op de datumstempels en de behandelingstermijnen, en wees het verzoek af.
Tot slot wees de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en het verzoek om schadevergoeding af, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter S.E.C. Debets.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtsgeldige machtiging en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.