Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] BV,
[gedaagde 2],
[gedaagde 3] B. V.,
ZUID-HOLLAND BEHEER B. V.,
WANTIJ SLIEDRECHT B. V.,
[gedaagde 6],
[gedaagde 7] ,in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van
[erflater],
[gedaagde 8],
[gedaagde 9],
1.1. Waar gaat deze zaak over
2.De procedure
- de dagvaarding van 23 december 2022, met producties 1 tot en met 64, waarbij tevens een incident in de zin van artikel 843a Rv is ingesteld door [eiser] ;
- de conclusies van antwoord en van re- en dupliek in het incident en het vonnis in het incident van 26 april 2023;
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [gedaagde 3] c.s., met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [gedaagde 6] en de executeur;
- het B16-formulier waarin namens [gedaagde 1] en Zuid-Holland Beheer is aangegeven dat zij zich aansluiten bij de door [gedaagde 3] c.s. ingediende conclusie van antwoord in de hoofdzaak;
- de brief van de rechtbank van 27 juni 2023 waarbij partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling;
- de akte van [eiser] , met producties 65 tot en met 75;
- de mondelinge behandeling op 7 december 2023 en de daarbij door [eiser] en [gedaagde 3] c.s. overgelegde spreekaantekeningen.
3.De feiten
4.De vordering
primair
4.2.1. Het verweer van [gedaagde 3] c.s. strekt ertoe bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, inclusief nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente.