De huurovereenkomst tussen Staffhousing B.V. en de huurder liep van 6 juli 2020 tot 31 december 2020. Na beëindiging leverde de huurder de sleutels niet in en liet spullen achter in het gehuurde. Staffhousing vorderde betaling van huur over november 2020 tot en met januari 2021, waarbij de huur over januari werd gevorderd omdat de huurder het gehuurde onrechtmatig onder zich hield.
De kantonrechter oordeelde dat de huurder de huur over november en december 2020, inclusief het restant na verrekening van de borg, moest betalen. Over januari 2021 werd een vergoeding gelijk aan de huurprijs toegewezen wegens het niet inleveren van de sleutels, wat een schending van de verplichtingen uit de huurovereenkomst is. Tevens werden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen omdat Staffhousing daadwerkelijk incassowerkzaamheden had verricht.
De tegenvorderingen van de huurder voor schilder- en stucwerk, achtergelaten inboedel en terugbetaling van de borg werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van bewijs van ongerechtvaardigde verrijking. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.