De zaak betreft een geschil tussen Stichting Woonstad Rotterdam en twee huurders over achterstallige huurbetalingen en de geldigheid van een huurprijswijzigingsbeding.
De huurders hadden de huur niet tijdig betaald, waarop Woonstad betaling van de achterstand en lopende huur vorderde. De kantonrechter oordeelde dat het huurprijswijzigingsbeding oneerlijk was omdat het de verhuurder een disproportioneel recht gaf tot huurverhoging boven de marktverwachting. Hierdoor vervielen alle huurverhogingen en bleef de oorspronkelijke huurprijs gelden.
Er werd een betalingsregeling getroffen waarbij de huurder maandelijks € 500,- moest aflossen en de huur op tijd moest betalen. Bij niet-nakoming van deze regeling volgt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming binnen 14 dagen. De medehuurder blijft hoofdelijk aansprakelijk zolang de overeenkomst niet is geëindigd.
De kantonrechter veroordeelde de huurders hoofdelijk tot betaling van de achterstand minus reeds gedane betalingen, de proceskosten en een gebruiksvergoeding tot ontruiming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.