ECLI:NL:RBROT:2024:2253
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring bezwaar tegen weigering voorwaardelijke invrijheidstelling ondanks ISD-maatregel
De veroordeelde is bij vonnissen van juni en augustus 2022 veroordeeld tot gevangenisstraffen waarvan de voorwaardelijke invrijheidstelling per 23 november 2023 mogelijk was. Het Openbaar Ministerie besloot echter op 27 oktober 2023 om de voorwaardelijke invrijheidstelling niet toe te kennen. De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat eerst de opgelegde ISD-maatregel moet worden uitgevoerd alvorens de voorwaardelijke invrijheidstelling te beoordelen.
De rechtbank oordeelt dat het wettelijk beoordelingsmoment voor voorwaardelijke invrijheidstelling uiterlijk vier weken voor het einde van de detentieperiode ligt en niet kan worden uitgesteld tot na de ISD-maatregel. Ook kan het ondergaan van de ISD-maatregel niet als bijzondere voorwaarde aan de invrijheidstelling worden verbonden. Uit rapportages blijkt dat de veroordeelde geen bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving toont en het recidiverisico hoog blijft.
De rechtbank concludeert dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de weigering van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen besluiten en verklaart het bezwaar ongegrond. De beslissing is op 22 februari 2024 in openbare raadkamer uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.