In deze zaak vorderde Stichting Timon de ontruiming van een woning die door gedaagde werd bewoond. De procedure startte met een dagvaarding op 20 februari 2024 en de mondelinge behandeling vond plaats op 28 februari 2024. Gedaagde verscheen niet, waarna verstek werd verleend.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond was en wees deze toe. Gedaagde werd veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning aan een adres in Rotterdam te ontruimen, de sleutels aan eiseres te overhandigen en de woning ontruimd te houden.
Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, begroot op €1.539,72, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.