Op 21 maart 2023 vond een inbeslagname plaats onder de klager ter uitvoering van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) en een Europees Bevriezingsbevel (EBB) van Belgische autoriteiten, waarbij onder meer voertuigen, opleggers en bankrekeningen werden beslagen. De klager, verdacht van deelname aan een criminele organisatie, illegale handel in verdovende middelen en witwassen, diende een klaagschrift in tegen deze beslagen.
De rechtbank heeft het klaagschrift beoordeeld aan de hand van de geldende wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 5.4.10 juncto 552a Sv en 5.5.18 juncto 552a Sv, en de relevante Europese richtlijnen en verordeningen. De rechter toetste niet de materiële gronden van het EOB en EBB, maar wel de rechtmatigheid van de inbeslagneming en de toepassing van de formaliteiten.
De rechtbank concludeerde dat de beslagen rechtmatig waren gelegd en dat geen weigeringsgronden of gronden voor uitstel van erkenning of uitvoering aanwezig waren. Het persoonlijke belang van de klager bij teruggave kon niet worden meegewogen. Het deel van het beklag dat betrekking had op reeds teruggegeven goederen werd niet-ontvankelijk verklaard. Het resterende deel van het beklag werd ongegrond verklaard.
De beslissing werd genomen door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam op 22 februari 2024. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.