De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot adoptie van een minderjarige geboren in Afghanistan, waarbij de vrouw de adoptie wilde laten uitspreken. De man trok zijn verzoek in. De minderjarige verblijft sinds 2021 in Nederland en heeft de Afghaanse nationaliteit. De vrouw en man hadden de voogdij in Afghanistan verkregen via een kafala-procedure, waarbij familiebanden niet worden doorbroken.
De rechtbank constateerde dat Afghanistan geen adoptie kent vanwege islamitische regels en dat de procedure in Afghanistan voogdij betrof, geen adoptie. De rechtbank stelde vast dat veel beschermende normen voor adoptie, zoals toestemming van de biologische ouders, onderzoek naar plaatsing in het land van herkomst en bedenktijd na geboorte, niet zijn nageleefd. Ook was de relatie tussen de vrouw en man niet stabiel, wat het gezinsbeeld ondermijnt.
De Raad voor de Kinderbescherming had ondanks deze tekortkomingen positief geadviseerd, vermoedelijk vanwege de wens stabiliteit te bieden aan de minderjarige. De rechtbank oordeelde echter dat adoptie niet in het kennelijk belang van het kind is en dat alternatieve instrumenten beschikbaar zijn om de rechtspositie van de minderjarige te waarborgen. Het verzoek tot adoptie en het verzoek tot naamswijziging werden daarom afgewezen.