De broers [achternaam 1] en [gedaagde 1] waren voormalig medeaandeelhouders in [eiser 1]. Na een conflict werd een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin [gedaagde 1] c.s. zich verplichtten bedrijfseigendommen terug te geven en geheimhouding te betrachten. Eisers stelden dat deze verplichtingen niet werden nagekomen, met name dat een geluidsopname niet was ingeleverd en het geheimhoudingsbeding was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat niet was komen vast te staan dat de geluidsopname bedrijfseigendom was of dat deze was achtergehouden. De opname was gemaakt door een ex-aandeelhouder en niet door een werknemer, en er was geen bewijs dat het gesprek over bedrijfsvoering ging. Ook was niet gebleken dat het geheimhoudingsbeding was overtreden, aangezien de opname niet openbaar was gemaakt en er geen negatieve uitlatingen waren gedaan.
De vorderingen van eisers werden daarom afgewezen. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten, die werden begroot op € 1.715,00, te vermeerderen met wettelijke rente en eventuele kosten bij niet-tijdige betaling. Het vonnis werd gewezen door mr. P.C. Santema en op 13 maart 2024 in het openbaar uitgesproken.