Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.[verzoeker1] ,
[verzoeker2],
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van twee schuldenaren om hun bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling te ontslaan. De schuldenaren stelden dat de bewindvoerder onnodig nieuwe schulden creëerde, de verkoop van hun woning onjuist afhandelde en onzorgvuldig handelde, onder meer door het tegenhouden van terugbetaling van zorgtoeslag en het belemmeren van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen.
De bewindvoerder betwistte deze beschuldigingen en gaf aan dat zij handelde conform de aanwijzingen van de rechter-commissaris en de rechtbank. Zij heeft uitstel verleend voor de verkoop van de woning in afwachting van herfinanciering en ontkende de aantijgingen van dreigementen en onzorgvuldig handelen.
De rechter-commissaris concludeerde eveneens dat er geen grond was voor ontslag. De rechtbank overwoog dat de bewindvoerder haar wettelijke taken naar behoren uitvoert, waaronder het toezicht op de schuldsaneringsregeling en het gelde maken van vermogensbestanddelen. De verkoop van de woning past binnen haar taak en het maken van kosten is inherent aan deze procedure. Er is geen bewijs dat nieuwe schulden zijn ontstaan door haar handelen.
De rechtbank wees het verzoek tot ontslag af en adviseerde de schuldenaren gebruik te maken van het aanbod van de rechter-commissaris om hun klachten te bespreken. De beschikking werd op 21 maart 2024 uitgesproken door mr. B.J.M.P. Cremers.
Uitkomst: Het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder wordt afgewezen omdat zij haar taken naar behoren uitvoert.