Eisers hebben beroep ingesteld tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam voor het legaliseren van een fietsenstalling nabij een kantoorpand aan de [adres 1] in Rotterdam. De vergunning betreft bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan "Struisenburg". Eisers wonen nabij en maken bezwaar tegen het besluit vanwege mogelijke negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat, met name geluidsoverlast.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om de vergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de Wabo zoals die vóór 1 januari 2024 gold van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat het college het primaire besluit voldoende heeft aangevuld met de activiteit bouwen en dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, mede op basis van een welstandsadvies.
Eisers betogen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het woon- en leefklimaat, vooral vanwege geluidsoverlast van de fietsenstalling en andere installaties. Geluidsmetingen door Peutz tonen aan dat de geluidniveaus onder de wettelijke grenswaarden blijven, ook in de slechtste situatie. De DCMR stelt dat cumulatieve geluidbelasting moet worden betrokken bij de beoordeling, maar het college heeft dit niet meegenomen in het bestreden besluit. De rechtbank oordeelt dat dit een motiveringsgebrek oplevert, maar dat het college met een later memo van de DCMR dit gebrek heeft hersteld. Daarom vernietigt de rechtbank het besluit voor zover het de vergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan betreft, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand.
De rechtbank wijst het beroep toe, veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers en bepaalt dat de vergunning blijft gelden. Alternatieve locaties voor de fietsenstalling worden door de rechtbank niet als een gelijkwaardig en concreet alternatief beoordeeld.