Op 13 november 2021 werd verdachte samen met een medeverdachte aangehouden op het afgesloten terrein van de APM II Terminals in Rotterdam, nabij een container waarin bijna 27 kilo cocaïne was aangetroffen. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 18 maanden wegens medeplegen invoer van cocaïne.
De rechtbank oordeelde dat hoewel verdachte op het terrein werd aangetroffen en DNA van hem op een waterfles in een tas met gereedschap werd gevonden, er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte een directe link had met de container met drugs. Het enkele feit dat verdachte op hetzelfde terrein was, was onvoldoende voor een veroordeling.
Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van invoer en ook van het subsidiaire ten laste gelegde voorbereiden of bevorderen van de invoer. De rechtbank verwees naar de invoering van artikel 138aa Sr per 1 januari 2022, speciaal gericht op de uithalersproblematiek.
De voorlopige hechtenis van verdachte werd opgeheven. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 1 februari 2024.