Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:255

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 januari 2024
Publicatiedatum
18 januari 2024
Zaaknummer
10834271 \ VV EXPL 23-69
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 lid 3 RvArt. 233 RvArt. 237 RvArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsingsverzoek ontruimingsvonnis bij kort geding

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 19 oktober 2023 de huurovereenkomst ontbonden en de huurder veroordeeld om de woning binnen drie maanden te ontruimen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waardoor de ontruiming direct kan worden geëxecuteerd.

De huurder heeft in een kort geding verzocht om schorsing van de ontruiming zolang het hoger beroep loopt. De rechtbank heeft getoetst of sprake is van een kennelijke misslag in het eerdere vonnis en een belangenafweging gemaakt tussen de huurder en verhuurder. Er is geen kennelijke misslag vastgesteld.

De belangenafweging leidde tot het oordeel dat de belangen van de verhuurder, die een nieuwe huurder heeft en schade lijdt bij uitstel, zwaarder wegen dan die van de huurder. Hoewel de huurder minderjarige kinderen heeft, is onvoldoende onderbouwd dat een noodsituatie voor hen zal ontstaan, mede omdat zij bij hun vader kunnen verblijven.

De huurder heeft onvoldoende actie ondernomen om een andere woning te vinden ondanks de ruime ontruimingstermijn. De eis tot schorsing wordt daarom afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen en huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 10834271 \ VV EXPL 23-69
datum uitspraak: 4 januari 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger,
tegen
[gedaagde01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. D. van der Wal.
De partijen worden ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 december 2023, met bijlagen;
  • het e-mailbericht van [eiseres01] van 19 december 2023, met bijlagen;
  • de brief van [gedaagde01] van 20 december 2023, met bijlage;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde01] .
1.2.
Op 21 december 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiseres01] , mr. A. Rhijnsburger, [gedaagde01] , [naam01] en mr. D. van der Wal.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter van deze rechtbank heeft in een vonnis van 19 oktober 2023 [1] de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [eiseres01] veroordeeld om de woning aan de [adres01] in Dordrecht (hierna: de woning) binnen drie maanden te ontruimen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard [2] . [eiseres01] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. [gedaagde01] wil dit hoger beroep niet afwachten en heeft de ontruiming aangezegd tegen 25 januari 2024. [eiseres01] eist in dit kort geding dat het vonnis van de kantonrechter wordt geschorst voor wat betreft de ontruiming van de woning zolang als het hoger beroep in behandeling is bij het gerechtshof Den Haag. [eiseres01] eist daarnaast dat [gedaagde01] wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
Toetsingskader
2.2.
[eiseres01] vraagt te verbieden dat het vonnis van 19 oktober 2023 ten uitvoer wordt gelegd (artikel 438 lid 3 Rv Pro). Omdat de kantonrechter de beslissing om het vonnis van 19 oktober 2023 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet heeft gemotiveerd, moet volgens de Hoge Raad [3] de volgende maatstaf worden gehanteerd. Beoordeeld moet worden of de belangen van [eiseres01] bij het schorsen van het vonnis en dus het nog niet ontruimen van de woning zwaarder wegen, dan de belangen van [gedaagde01] om het vonnis niet te schorsen en dus om de ontruiming door te laten gaan. De belangen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van het bestreden vonnis en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan in de oordeelsvorming worden betrokken of het bestreden vonnis berust op een kennelijke misslag.
Kennelijke misslag
2.3.
[eiseres01] wordt niet gevolgd in haar stelling dat het vonnis van 19 oktober 2023 berust op een kennelijke misslag. Het moet dan gaan om een zo evidente vergissing in het recht of de feiten dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. Dat de kantonrechter in het vonnis van 19 oktober 2023 het beroep van [eiseres01] op onverschuldigde betaling niet heeft gehonoreerd, kan niet worden aangemerkt als een kennelijk misslag. De kantonrechter heeft toegelicht waarom tot dit oordeel is gekomen, namelijk omdat [eiseres01] haar contractuele verplichting is nagekomen. Dit is geen evidente vergissing in het recht. Volgens [eiseres01] ontbreekt er daarnaast een inzichtelijke motivering in het vonnis met betrekking tot de korting van € 150,- en is ook dat een kennelijke misslag. De kantonrechter heeft echter wel toegelicht hoe tot dit oordeel is gekomen, namelijk dat ‘zij aanknopingspunten vindt in hetgeen ter zitting is besproken’. [eiseres01] is zelf bij die zitting aanwezig geweest, zodat zij geacht wordt ervan op de hoogte te zijn wat op de zitting is besproken. Van een kennelijke misslag door geen inzichtelijke motivering is dus ook geen sprake.
Belangenafweging
2.4.
[gedaagde01] heeft er belang bij dat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd. [eiseres01] stelt dat [gedaagde01] geen schade lijdt, omdat zij de lopende huur betaalt en ook op de achterstand aflost. De lopende huur wordt echter niet regelmatig betaald door [eiseres01] , dat heeft zij tijdens de zitting erkend. [gedaagde01] heeft daarnaast tijdens de zitting toegelicht dat hij een huurovereenkomst heeft gesloten met een nieuwe huurder tegen een huurprijs van € 1.600,- met als ingangsdatum 1 februari 2024. [eiseres01] betwist dit niet en voert ook niet aan dat [gedaagde01] gemakkelijk en zonder schade te lijden van de huurovereenkomst af kan komen. [gedaagde01] heeft daarom een groot belang dat de executie van het vonnis niet geschorst wordt.
2.5.
[eiseres01] stelt dat haar belang zwaarder weegt, omdat zij al sinds 16 november 2015 in de woning woont met haar twee minderjarige kinderen van 11 en 13 jaar. Het enkele feit dat [eiseres01] al lang in de woning woont, maakt echter niet dat haar belangen zwaarder wegen dan die van [gedaagde01] . De belangen van de kinderen vormen op grond van artikel 3 IVRK Pro wel de eerste overweging. [eiseres01] onderbouwt echter onvoldoende dat voor de kinderen een noodsituatie zal ontstaan als zij de woning moet verlaten. [eiseres01] heeft namelijk tijdens de zitting toegelicht dat de kinderen ook regelmatig bij hun vader, die op fietsafstand woont, verblijven, dat de vader goed voor de kinderen kan zorgen en dat de kinderen naar hem toe kunnen als zij de woning moet verlaten. Als de kinderen naar de vader moeten zal het gezinsleven van de kinderen met [eiseres01] wel tijdelijk worden verbroken, maar [eiseres01] heeft onvoldoende toegelicht dat dit voor de kinderen tot een noodsituatie zal leiden. Dat het gezinsleven met moeder tijdelijk verbroken wordt, komt ook door de keuzes die [eiseres01] zelf heeft gemaakt. Zij heeft namelijk een ruime ontruimingstermijn van drie maanden gekregen, maar heeft tijdens de zitting verklaard nog geen actie te hebben ondernomen om een andere woning te zoeken. Het is daarom niet aannemelijk dat het haar niet zal lukken om een andere huurwoning te vinden.
2.6.
Gelet op wat hiervoor is overwogen kan niet geoordeeld worden dat de belangen van [eiseres01] om gedurende het hoger beroep in de woning te blijven wonen zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde01] om het vonnis ten uitvoer te kunnen leggen. Dit betekent dat de eis van [eiseres01] wordt afgewezen.
Proceskosten
2.7.
[eiseres01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag vast op € 529,- aan
aan salaris voor de gemachtigde en € 132,- aan nakosten. Dit is totaal € 661,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis van [eiseres01] af;
3.2.
veroordeelt [eiseres01] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 661,-;
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken.
31688

Voetnoten

1.Zaaknummer: 10675725 CV EXPL 23-3321
2.Dat betekent dat het vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd en de uitkomst van een ingesteld het hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht (artikel 233 Rv Pro).
3.Hoge Raad, 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026