Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2024 in de zaak tussen
[naam eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
primairop het standpunt gesteld dat, gelet op de inmiddels verstreken bewaartermijnen van de aangifte van eiseres en de bescheiden betreffende de opschorting van de persoonslijst, er vanuit mag worden gegaan dat de inschrijfdatum van 11 augustus 2008 op [adres 2] is gebaseerd op het bepaalde in hoofdstuk 2, afdeling 1 van de Wet brp. Omdat eerst moet worden gekeken naar de brondocumenten op basis waarvan die inschrijving heeft plaatsgevonden en die in deze zaak dus niet langer beschikbaar zijn, is het verzoek tot correctie volgens verweerder al om die reden terecht geweigerd. Daarbij benadrukt verweerder dat eiseres onderkent dat zij pas aangifte van haar verblijf en adres heeft gedaan naar aanleiding van een besluit van de Belastingdienst, omdat haar toen bekend werd dat zij niet ingeschreven stond.