ECLI:NL:RBROT:2024:2632
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet-toezenden op de zaak betrekking hebbende stukken, WOZ-waarde woning niet te hoog vastgesteld
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en stelde dat de heffingsambtenaar ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had toegezonden, waaronder KOUDV-factoren en grondstaffels. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar hiermee in strijd had gehandeld met artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ, waardoor het beroep gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd.
Desondanks heeft de rechtbank beoordeeld of de WOZ-waarde van de woning te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde van € 308.000,- correct was vastgesteld aan de hand van een systematische vergelijking met vergelijkingsobjecten, waarbij verschillen in ligging, type, bouwjaar en voorzieningen voldoende waren toegelicht. De rechtbank volgde dit oordeel en concludeerde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Eiser had een taxatierapport overgelegd waarin een lagere waarde van € 280.000,- werd genoemd, maar dit rapport gaf onvoldoende inzicht in de waardebepaling en hield geen rekening met KOUDV-factoren en oppervlakteverschillen. Het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd tijdens de zitting ingetrokken.
De rechtbank bepaalde dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden blijven, veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de proceskosten van € 1.750,- en wees erop dat deze betalingen op een bankrekening van eiser moeten plaatsvinden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens niet-toezenden van stukken, maar de WOZ-waarde blijft ongewijzigd en de rechtsgevolgen blijven in stand.