ECLI:NL:RBROT:2024:2683

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 maart 2024
Publicatiedatum
2 april 2024
Zaaknummer
10793408 \ CV EXPL 23-30212
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:119 BWArt. 7:225 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens oneerlijke huurprijswijzigingsbepalingen en huurachterstand

Stichting Studentenhuisvesting Nederland vordert ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot een woning aan een adres te Rotterdam, wegens niet-betaalde huur. De gedaagde is verstek verklaard. De kantonrechter beoordeelt de huurprijswijzigingsbepaling in de overeenkomst en constateert dat deze oneerlijk is omdat deze de verhuurder het recht geeft de huur jaarlijks met minimaal 2% te verhogen, ook als het wettelijk toegestane percentage lager is.

De vernietiging van deze bepaling betekent dat de huurprijs ongewijzigd blijft op het oorspronkelijke bedrag van € 425,- per maand. Ondanks de vernietiging van de huurprijswijzigingsbepaling wordt de vordering tot betaling van de huurachterstand toegewezen, omdat de gedaagde de huur niet heeft voldaan.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 6:265 BW Pro. De gedaagde wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en een gebruiksvergoeding te betalen tot de dag van ontruiming. Tevens wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstige huurachterstand en de gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10793408 CV EXPL 23-30212
datum uitspraak: 28 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Studentenhuisvesting Nederland,
vestigingsplaats: Utrecht,
eiseres,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
Partijen worden hierna “Studentenhuisvesting Nederland” en “[gedaagde]” genoemd.

1.De procedure

Studentenhuisvesting Nederland vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde aan [adres] te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling aan Studentenhuisvesting Nederland van de door Studentenhuisvesting Nederland in de dagvaarding van 30 oktober 2023 genoemde bedragen, waarin begrepen € 1.700,00 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand oktober 2023.
Tegen [gedaagde] is verstek verleend.
Studentenhuisvesting Nederland is bij rolbeslissing van 30 november 2023 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de (on)redelijkheid van de huurprijswijzigingsregeling in de huurovereenkomst en over de datum waarop zij de hoogte van de huurachterstand van [gedaagde] aan de gemeente heeft gemeld zoals bedoeld in artikel 2 Besluit Pro Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
Ter uitvoering van die rolbeslissing heeft Studentenhuisvesting Nederland een akte met één productie genomen.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat de huurprijswijzigingsbepaling die partijen zijn overeengekomen oneerlijk is. De vordering tot betaling van de in de dagvaarding genoemde huurachterstand wordt desondanks toch toegewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
2.2.
Een huurprijswijzigingsbepaling is naar het oordeel van de kantonrechter oneerlijk als die bepaling de verhuurder het recht geeft om de huur met meer te laten stijgen dan op grond van een redelijke inschatting van de markt op dat moment was te verwachten [1] . De kantonrechter stelt vast dat de huurprijswijzigingsbepaling die partijen hebben afgesproken daarmee in strijd is.
2.3.
In artikel 5.1 van de huurovereenkomst is bepaald dat de huurprijs jaarlijks kan worden gewijzigd met een percentage dat gelijk is aan het op de ingangsdatum van die wijziging wettelijke toegestane percentage voor woonruimte met een minimum van 2%. Dit betekent dat, in het geval het wettelijke toegestane percentage op het moment van de huurprijswijziging lager dan 2% is, Studentenhuisvesting Nederland zich met het hiervoor genoemde beding de bevoegdheid heeft gegeven de huurprijs desondanks toch met ten minste 2% te verhogen. Studentenhuisvesting Nederland heeft niet of onvoldoende uitgelegd waarom het gerechtvaardigd is dat in dat geval de huur met meer dan het wettelijk toegestane percentage verhoogd zou worden. Daarbij is het in beginsel niet van belang of er sinds aanvang van de huurovereenkomst op deze wijze uitvoering is gegeven aan de bepaling. Het enkele feit dat de verhuurder zichzelf de bevoegdheid heeft
gegeven om de huur op de hiervoor genoemde wijze te verhogen, kan het evenwicht dus al verstoren ongeacht of de verhuurder daadwerkelijk van die mogelijkheid gebruik maakt.
2.4.
Als een huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is, dan heeft dat tot gevolg dat de kantonrechter deze bepaling moet vernietigen. Vernietiging heeft weer tot gevolg dat de huurprijswijzigingsbepaling geacht wordt er nooit te zijn geweest. Dat betekent dat alle huurverhogingen komen te vervallen en dat de huurprijs die partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn overeengekomen altijd is blijven gelden. Studentenhuisvesting heeft in dat verband gesteld dat de huurprijs sinds het sluiten van de huurovereenkomst nooit is verhoogd. Om die reden geldt nog altijd de huurprijs van € 425,- per maand, zoals in de huurovereenkomst genoemd. De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt daarom toegewezen.
2.5.
De kantonrechter heeft ook getoetst of (een deel van) de overige vorderingen moet worden afgewezen omdat één of meer oneerlijke bepalingen van toepassing zijn. Dat is hier niet het geval.
2.6.
Studentenhuisvesting Nederland heeft gesteld dat zij op 24 augustus 2023 de hoogte van de huurachterstand van [gedaagde] aan de gemeente heeft gemeld. Dat is twee maanden voordat zij tot dagvaarding is overgegaan. Daarmee is voldoende gebleken dat Studentenhuisvesting heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2 Besluit Pro Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
2.7.
De vorderingen komen de kantonrechter voor het overige niet ongegrond of onrechtmatig voor en worden daarom toegewezen, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt.
2.8.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen.
2.9.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. [gedaagde] moet een gebruiksvergoeding van € 425,- per maand betalen tot en met de dag waarop hij de woning met al zijn spullen heeft verlaten (artikel 7:225 BW Pro). Studentenhuisvesting Nederland heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van de maand waarin de ontruiming plaatsvindt.
2.10.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Studentenhuisvesting Nederland op € 130,49 aan dagvaardingskosten, € 365,00 aan griffierecht, € 204,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 102,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 801,49. Hier kan nog een bedrag bijkomen als het vonnis wordt betekend.
2.11.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Studentenhuisvesting Nederland te betalen € 1.874,06 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand oktober 2023, rente en buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 1.700,00 vanaf 27 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Studentenhuisvesting Nederland te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Studentenhuisvesting Nederland te betalen € 425,- per maand met ingang van de maand november 2023 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over die bedragen vanaf de datum waarop deze opeisbaar zijn tot de dag van volledige betaling;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Studentenhuisvesting Nederland worden begroot op € 801,49;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 9 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:801