ECLI:NL:RBROT:2024:2735
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak bezwaar WOZ-waarde en vaststelling nieuwe waarde woning
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €700.000. De heffingsambtenaar had het bezwaar ongegrond verklaard en verweerde zich met onder meer het standpunt dat er sprake was van passief inzagerecht tijdens de bezwaarperiode.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, tweede lid, Wet WOZ heeft gehandeld door niet alle gevraagde gegevens toe te zenden, maar deze slechts ter inzage te leggen. Dit vormde een schending van de toezendplicht, zoals bevestigd door een recent arrest van de Hoge Raad.
Verder stelde de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was, met name omdat een van de vergelijkingsobjecten niet marktconform was en onvoldoende onderbouwd werd. Eiser had zijn lagere waarde van €560.000 onvoldoende onderbouwd.
Daarom stelde de rechtbank de WOZ-waarde in goede justitie vast op €650.000. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd, de aanslag onroerendezaakbelasting werd aangepast, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en stelt de WOZ-waarde van de woning vast op €650.000.