ECLI:NL:RBROT:2024:2855

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 januari 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
C/10/658060 / FA RK 23-3681
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot nihilstelling kinderalimentatie wegens onvoldoende wijziging omstandigheden

De vader en moeder zijn gescheiden en hebben twee kinderen. De vader is sinds augustus 2020 gedetineerd vanwege een veroordeling voor poging tot uitlokking van moord op de moeder. In een eerdere beschikking van juni 2021 is vastgesteld dat de vader kinderalimentatie van €66 per kind per maand aan de moeder moet betalen.

De vader verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie met ingang van juni 2021 nihil te stellen, stellende dat de bijdrage was vastgesteld met grove miskenning van wettelijke maatstaven en dat zijn financiële situatie door schulden en kosten was gewijzigd, waardoor hij niet meer kon betalen.

De moeder verzet zich tegen dit verzoek en stelt dat de vastgestelde bijdrage correct is en dat geen wijziging van omstandigheden is aangetoond. De rechtbank oordeelt dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn schuldenlast hoger is dan zijn vrij besteedbaar vermogen van €47.206,- en dat hij niet heeft aangetoond dat hij volledig op dit vermogen heeft ingeteerd.

De rechtbank concludeert dat de vastgestelde kinderalimentatie van aanvang af voldoet aan de wettelijke maatstaven en dat geen wijziging van omstandigheden is aangetoond die een aanpassing rechtvaardigt. Daarom wordt het verzoek van de vader afgewezen. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot nihilstelling van kinderalimentatie wordt afgewezen omdat de vastgestelde bijdrage voldoet aan de wettelijke maatstaven en geen wijziging van omstandigheden is aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Familierecht
Zaaknummer: C/10/658060 / FA RK 23-3681
Kinderalimentatie
Beschikking van 18 januari 2024
in de zaak van:
[naam vader],
wonende in [woonplaats] , thans gedetineerd in de P.I. [naam PI] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S. Bhulai,
e n
[naam moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G. Bloem.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vader met bijlagen 1 tot en met 4, binnengekomen op 19 mei 2023;
het verweerschrift van de moeder;
het bericht namens de vader van 3 augustus 2023, met bijlagen;
het bericht namens de moeder van 1 september 2023, met bijlage;
het bericht namens de vader van 4 september 2023, met toelichting en bijlagen 5A tot en met 5G;
het bericht namens de vader van 5 september 2023, met bijlage 5H;
het bericht namens de vader van 14 september 2023;
et bericht namens de moeder van 14 september 2023, met brief;
het bericht namens de moeder van 17 oktober 2023;
het bericht namens de vader van 19 oktober 2023, en
het bericht van de moeder van 4 januari 2024, met brief en bijlagen 1 tot en met 5.
1.2.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 15 januari 2024. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de advocaat van de vader, en
de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest van 16 juni 2006 tot 15 oktober 2021. Zij zijn de ouders van:
  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008, en
  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011.
De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.
2.2.
De vader is sinds 12 augustus 2020 gedetineerd, omdat hij is veroordeeld voor poging tot uitlokking van moord, meermalen gepleegd, op de moeder.
2.3.
In de echtscheidingsbeschikking van 11 juni 2021 heeft de rechtbank Den Haag beslist dat de vader een bedrag van € 66,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen.
Wat ligt voor?
2.4.
De vader wil dat de kinderalimentatie met ingang van 11 juni 2021 wordt gewijzigd in nihil. Volgens de vader is de bijdrage vastgesteld met grove miskenning van de wettelijke matstaven, omdat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met alle schulden en kosten van de vader. Daarnaast zijn de omstandigheden gewijzigd en kan hij de bijdrage niet meer betalen. Door de schulden van de vader heeft hij volledig ingeteerd op zijn vermogen en kan hij daaruit geen alimentatie meer voldoen.
2.5.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de vader niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek of dat het verzoek wordt afgewezen. De vastgestelde bijdrage voldoet aan de wettelijke maatstaven. Dat de vader bij het betalen van de door hem gestelde schulden geen rekening heeft gehouden met een reservering van zijn vermogen voor het betalen van kinderalimentatie komt voor zijn rekening en risico. Ook vindt de moeder dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de vader de kinderalimentatie niet meer kan betalen. De vrouw betwist de door de vader gestelde schulden en ook dat deze schulden ten laste van zijn draagkracht moeten te komen.

3.De beoordeling

conclusie
3.1.
De rechtbank beslist dat er geen grond is voor wijziging van de vastgestelde kinderalimentatie en zal het verzoek van de vader daarom afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De rechtbank rondt af op hele euro’s.
geen reden voor de wijziging
De kinderalimentatie voldoet van aanvang af aan de wettelijke maatstaven
3.2.
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als deze niet goed is berekend omdat de rechtbank eerder is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Hoewel de vader stelt dat sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, en zijn advocaat zijn beroep hierop ter zitting heeft ingetrokken, gaat de rechtbank ervan uit dat de vader heeft bedoeld te stellen dat de vastgestelde kinderalimentatie van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. [1] Er is namelijk geen sprake van een overeengekomen alimentatie, maar van een alimentatie die bij rechterlijke uitspraak is vastgesteld. Ten overvloede overweegt de rechtbank daarover het volgende. Volgens de vader heeft hij meer schulden en kosten dan waar de rechtbank in de beschikking van 11 juni 2021 rekening mee heeft gehouden. De vader laat na toe te lichten met welke andere kosten de rechtbank rekening had moeten houden. Daarbij is van belang dat de rechtbank heeft beslist dat de vader 20% van zijn vermogen van € 59.008,- dient aan te wenden om kinderalimentatie te betalen voor de periode dat hij gedetineerd is. De vader heeft niet betwist dat hij € 59.008,- uit de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft ontvangen. Dat betekent dat de vader 80% van zijn vermogen, te weten € 47.206,-, vrij te besteden had. De vader heeft niet gesteld of aangetoond dat zijn schuldenlast ten tijde van de eerdere vaststelling dit bedrag overschreed.
Geen wijziging van omstandigheden
3.3.
Daarnaast kan de rechtbank de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [2] Daarvan is hier ook geen sprake, want de vader heeft zijn stelling dat zijn vermogen is opgesoupeerd door aflossing van zijn schulden en betaling van zijn kosten onvoldoende onderbouwd met stukken. Het ligt op de weg van de vader om het bestaan van alle schulden aan te tonen, en ook dat hij hierop daadwerkelijk aflost. Hierbij is van belang dat de vader ook niet heeft aangetoond dat hij volledig op zijn ‘vrije vermogen’ van € 47.206,- is ingeteerd of dat zijn schulden dit bedrag hebben overschreden. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de schulden van de vader hem niet te verwijten zijn. Zo heeft de vader onder meer een schuld opgevoerd aan een strafrechtadvocaat, terwijl uit de opdrachtbevestiging blijkt dat de vader in aanmerking kon komen voor kosteloze rechtsbijstand maar er zelf voor koos om daarvan geen gebruik te maken.
3.4.
Gelet op het vorenstaande zal het verzoek van de vader worden afgewezen.
proceskosten
3.5.
De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek van de vader af ;
4.2.
bepaalt dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;.
Dit is de beslissing van rechter mr. C. Koopman, tot stand gekomen in samenwerking met mr. D.J.M. Kuppens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek
2.Artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek