Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser te dwingen in te stemmen met een schuldregeling. De regeling voorziet in een betaling van 10,84% aan preferente en 5,42% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de huidige afloscapaciteit van verzoeker, die een Participatiewet-uitkering ontvangt.
De schuldeiser, oom van verzoeker, weigert in te stemmen met het akkoord, stellende dat het aanbod niet in verhouding staat tot de schuld en dat verzoeker niet het maximaal haalbare heeft aangeboden. Verzoeker zou medische klachten hebben, maar deze zijn niet onderbouwd met documenten. Ook is twijfel over de blijvende arbeidsongeschiktheid en afloscapaciteit.
De rechtbank oordeelt dat de weigering van de schuldeiser redelijk is, mede omdat diens vordering een aanzienlijk deel van de totale schuld uitmaakt. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is om meer af te lossen, bijvoorbeeld door arbeid. De belangen van de schuldeiser wegen zwaarder dan die van verzoeker en overige schuldeisers.
Daarom wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal apart beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.