Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 12 december 2019, maar verzoekers zijn een minnelijk schuldhulpverleningstraject gestart om hun schulden te regelen.
De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 6 februari 2024. Verzoeker, werkzaam als zelfstandige, heeft voldoende inkomsten om de lopende huur van € 1.025,46 per maand te betalen, wat ook blijkt uit recente betalingsbewijzen en prognoses van de boekhouder. Verzoekster werkt niet, maar zij zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, waardoor ook haar schulden in het traject worden meegenomen.
Verweerster, de verhuurder, betoogt dat eerdere afspraken niet zijn nagekomen en dat de huurachterstand is opgelopen. De rechtbank weegt echter het belang van verzoekers om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden, met de verplichting tot tijdige betaling van de huur en rapportage door schuldhulpverlening.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog loopt en dit verzoek op een later moment opnieuw kan worden ingediend.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder voorwaarden.