Verzoekster heeft op 6 februari 2024 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank heeft op 26 februari 2024 een zitting gehouden waarin partijen zijn gehoord en aanvullende stukken zijn overgelegd.
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering, huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget, die volgens haar voldoende zijn om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over december 2023 was aanvankelijk niet betaald vanwege administratieve redenen, maar is op 26 februari 2024 voldaan. De huur voor maart 2024 zal automatisch worden geïncasseerd. Verzoekster staat sinds 15 november 2023 onder beschermingsbewind, wat haar financiële situatie stabiliseert.
Verweerster heeft geen inzicht in de financiële situatie van verzoekster en betwijfelt de continuïteit van betalingen, mede omdat er een huurachterstand van meer dan € 6.000,-- bestaat. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en de aangekondigde executie.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die met haar kinderen in de woning wil blijven en een minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan, aldus de rechtbank. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden betaald.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.