ECLI:NL:RBROT:2024:2943

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 maart 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
FT EA 24/264/ FT EA 24/265
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening ter bescherming tegen ontruiming bij schuldsaneringsregeling

Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 30 januari 2024. Verzoekster heeft een vast arbeidscontract en voldoende inkomsten om de huur te betalen, en is sinds januari 2024 gestart met budgetbeheer. Schuldhulpverlening verklaarde dat er een akkoord met schuldeisers kan worden bereikt binnen zes maanden.

Verweerster betwist het verzoek en wijst op een eerdere mislukte schuldhulpverlening en een hogere huurachterstand dan opgegeven. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster om in haar woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan en kent daarom de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, met voorwaarden omtrent tijdige betaling. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw wordt niet-ontvankelijk verklaard, maar verzoekster kan een nieuw verzoek indienen.

De uitspraak is gedaan door rechter B.A. Cnossen op 21 maart 2024.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: Toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 21 maart 2024
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 26 februari 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In de oproepingsbrief van deze rechtbank van 26 februari 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 maart 2024.
Ter zitting van 14 maart 2024 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw P.M. Tang en mevrouw Y. van der Vijver, beiden werkzaam bij Schuldhulpverlening Gemeente Nissewaard (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw M. Kroes en mevrouw mr. E. de Ruiter, advocaat, beiden namens Stichting De Leeuw van Putten gevestigd te Spijkenisse (hierna: verweerster).
Mevrouw mr. E. de Ruiter heeft namens verweerster tijdens de zitting aan de rechtbank en verzoekster een pleitnota overhandigd en voorgedragen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft een vast arbeidscontract van tweeëndertig uur per week bij een tankstation en werkt soms extra uren. De netto inkomsten uit arbeid zijn € 1.896,79. Daarnaast ontvangt verzoekster € 340,00 huurtoeslag, € 123,00 zorgtoeslag en € 696,00 kindgebonden budget. Tezamen komt dit neer op een inkomen van € 3.055,79. De maandelijkse huur bedraagt € 582,82 inclusief. De inkomsten zijn ruim voldoende om de maandelijkse huur te voldoen. Bovendien is verzoekster sinds januari 2024 gestart met budgetbeheer. Verder is verzoekster een alleenstaande ouder met twee minderjarige kinderen van zeven en negen jaar oud.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de schuldenlast in kaart is gebracht en er spoedig een akkoord aangeboden kan worden aan de schuldeisers. Naar verwachting kan er een hoog percentage worden aangeboden, omdat sprake is van grote afloscapaciteit.
Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat de huurachterstand is ontstaan wegens meerdere loonbeslagen. De betaling is hervat sinds januari 2024, dit blijkt uit een betalingsbewijs in het verzoek. Daarnaast is ter zitting door schuldhulpverlening verklaard dat de huur voor de maanden februari en maart 2024 ook is betaald, waarbij de huur voor de maand februari 2024 niet tijdig is betaald.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.
Verweerster heeft de ontvangst van de door schuldhulpverlening genoemde betalingen ter zitting bevestigd. Zij heeft er evenwel geen vertrouwen in dat verzoekster haar afspraken met schuldhulpverlening zal nakomen, omdat een eerder schuldhulpverleningstraject is mislukt. Verweerster neemt het verzoekster ook kwalijk dat zij nooit contact heeft opgenomen met verweerster om te praten over haar betalingsproblemen.
Verder stelt verweerster dat de huurachterstand hoger is dan twee maanden huur, zoals schuldhulpverlening in het moratoriumverzoek stelt.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 13 februari 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 26 maart 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij (met haar kinderen) in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 30 januari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De lopende huur wordt sinds januari 2024 weer betaald. Verzoekster heeft een vast contract. De inkomsten uit arbeid en de toeslagen vormen voldoende inkomsten om de lopende huur te voldoen. Het budgetbeheer vormt een extra waarborg dat de betalingen tijdig voldaan zullen worden. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat het schuldhulpverleningstraject binnen zes maanden kan worden afgerond. Ten slotte heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij inziet dat zij zich dit keer moet inspannen voor dit traject en dat zij dat ook zal doen.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 30 januari 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf heden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van L.M. Heinis, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2024.