ECLI:NL:RBROT:2024:3006

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
9 april 2024
Zaaknummer
ROT 24/2423
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens onduidelijke woonplaats

Verzoekster ontving sinds september 2022 een bijstandsuitkering, die het college met ingang van november 2023 introk omdat zij niet meer woonachtig zou zijn op het opgegeven adres. Verzoekster was dakloos en stond ingeschreven met een briefadres bij de gemeente. Het college had dit bekend kunnen zijn, maar heeft niet onderzocht of verzoekster ondanks het ontbreken van een vast woonadres toch recht op bijstand had.

Verzoekster maakte bezwaar tegen de intrekking en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar verblijfplaats en dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen. De verklaring van verzoekster over haar verblijf bij familieleden werd niet op voorhand als ongeloofwaardig beschouwd.

Daarom werd het college opgedragen de bijstandsuitkering vanaf de intrekkingsdatum uit te betalen totdat op het bezwaar was beslist. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het college moet de bijstandsuitkering vanaf de intrekkingsdatum uitbetalen en proceskosten vergoeden wegens onvoldoende onderzoek en onzorgvuldigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2423

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2024 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster

(gemachtigde: mr. N. Roos),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente], het college
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering.
1.2.
Met het bestreden besluit van 26 februari 2024 heeft het college, voor zover hier van belang, de uitkering van verzoekster op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 5 november 2023 ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
Verzoekster ontving van het college vanaf 1 september 2022 een bijstandsuitkering.
2.2.
Verzoekster is in september 2023 dakloos geworden. Zij heeft per 6 september 2023 een briefadres bij de gemeente [gemeente] (adres: [adres]).
2.3.
Het college heeft de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van de maand november 2023 stopgezet.
2.4.
Naar aanleiding van de stopzetting heeft verzoekster op 25 januari 2024 een nieuwe aanvraag gedaan. Zij heeft in dat kader onder meer bankafschriften van april tot en met november 2023 overgelegd.
2.5.
Met het bestreden besluit heeft het college de uitkering met ingang van 5 november 2023 ingetrokken op de grond dat verzoekster vanaf die datum niet meer woonachtig is op ‘het bovenstaand adres’, te weten [adres].
3. Volgens verzoekster is de motivering van het bestreden besluit onnavolgbaar. Het adres Oostzanddijk 26 in Hellevoetsluis is het adres van het loket Burgerzaken Hellevoetsluis. Dit adres is al enige tijd het briefadres van verzoekster. Verzoekster is daar logischerwijs niet woonachtig en is daar ook nimmer woonachtig geweest. Het is verzoekster onbekend wat haar wordt verweten. Verzoekster wil dat het bestreden besluit geschorst wordt dan wel dat voorschotten worden toegekend.
4.1.
De voorzieningenrechter kan, als bezwaar is gemaakt tegen een besluit, een voorlopige voorziening treffen indien dat nodig is wegens “onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen” (zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Verzoekster heeft onweersproken gesteld dat zij op dit moment geen inkomsten heeft. De voorzieningenrechter neemt daarom een spoedeisend belang aan.
4.2.
De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.3.
Het college heeft de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken op de grond dat verzoekster vanaf 5 november 2023 niet meer woonachtig is op het adres [adres]. Verzoekster stond echter op 5 november 2023 op dat adres als briefadres ingeschreven bij de gemeente [gemeente] omdat zij dakloos was geworden. Het college was daarmee bekend, althans had daarmee bekend kunnen zijn. De in het intrekkingsbesluit genoemde reden voor de intrekking klopt dus niet. Voorts heeft het college ter zitting erkend dat het voorafgaande aan de stopzetting van de bijstandsuitkering niet heeft onderzocht of verzoekster, ondanks het feit dat zij geen vast woonadres meer heeft, mogelijk toch recht op bijstand heeft omdat zij mogelijk in de gemeente [gemeente] verblijft. Vervolgens heeft het college, nadat verzoekster in het kader van de nieuwe aanvraag haar bankafschriften had ingeleverd, het intrekkingsbesluit genomen zonder dat verzoekster in een gesprek om een uitleg over haar verblijfplaats is gevraagd. Een en ander is niet zorgvuldig. Het college heeft dit ter zitting ook erkend. Aan het bestreden besluit en de totstandkoming daarvan kleven dus belangrijke gebreken. Dat uit de bankafschriften zonder meer kan worden afgeleid dat verzoekster in de relevante periode niet in [gemeente] heeft verbleven en dat zij ook daarom geen recht heeft op een bijstandsuitkering, volgt de voorzieningenrechter in deze spoedprocedure niet. Ter zitting heeft verzoekster een verklaring gegeven die niet op voorhand onaannemelijk is, namelijk dat haar tweelingzus in oktober 2023 is overleden en dat zij in november 2023 regelmatig bij haar andere zus in [plaats] is geweest, die haar geld stuurde om te komen, maar dat verzoekster niet in [plaats] heeft overnacht. Overigens heeft verzoekster ook verklaard dat zij (binnenkort) terechtkan bij haar zoon in Hellevoetsluis en zich ook bij hem kan inschrijven.
4.4.
Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding het college op te dragen om, in afwachting van de beslissing op het bezwaar, over te gaan tot uitbetaling van de bijstandsuitkering van verzoekster vanaf de datum van de stopzetting, waarbij het college voor wat betreft de uit te betalen bedragen ervan kan uitgaan dat verzoekster geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe zoals hiervoor onder 4.4 overwogen. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening als hiervoor in 4.4 omschreven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. W. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.