ECLI:NL:RBROT:2024:3010

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
9 april 2024
Zaaknummer
ROT 24/2604
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArtikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder e, van bijlage 1 van de Huisvestingsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring voor woonruimte na huiselijk geweld

Verzoekster, geboren in 2005, verbleef met haar moeder en broertje en zusje sinds september 2023 in crisisopvang wegens huiselijk geweld door haar vader. De moeder kreeg een urgentieverklaring voor het gezin, maar verzoekster vroeg zelf ook een aparte urgentieverklaring aan, die door SUWR werd afgewezen omdat zij bij haar moeder kan wonen.

Verzoekster stelt dat zij niet bij haar moeder kan wonen vanwege spanningen en trauma’s, en dat zij niet welkom is in het huis van haar moeder. Zij vreest dat terugkeer haar herstel belemmert. De voorzieningenrechter constateert dat dit niet voldoende is onderbouwd en dat SUWR terecht geen aparte urgentieverklaring verleent omdat de moeder al een verklaring heeft.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een voorlopige voorziening met prioriteit op woonruimte verstrekt worden een onomkeerbaar gevolg heeft en dat er te veel twijfel bestaat over het definitieve oordeel in de beroepsprocedure. Daarom wordt het verzoek afgewezen en worden geen kosten vergoed.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een urgentieverklaring wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2604
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster

(gemachtigde: mr. J. van Cortenberghe-van Dam),
en

Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, SUWR

(gemachtigde: mr. R. van Duivenvoorde).

Inleiding

1.1.
Bij besluit van 21 november 2023 heeft SUWR de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring afgewezen.
1.2.
Met de beslissing op het bezwaar van verzoekster van 21 februari 2024 is SUWR bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van SUWR.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Verzoekster (geboren in 2005), haar moeder en haar broertje en zusje zijn op 19 september 2023 als gezin in de crisisopvang van Stichting Arosa (Arosa) geplaatst wegens huiselijk geweld gepleegd door de vader van verzoekster.
2.2.
Naar aanleiding van een door Arosa namens de moeder ingediende aanvraag heeft SUWR op 7 november 2023 een urgentieverklaring afgegeven voor het gezin. Op 15 november 2023 heeft Arosa namens verzoekster een aparte aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring voor verzoekster.
2.3.
SUWR heeft de aanvraag voor verzoekster afgewezen omdat aan de moeder van verzoekster al een urgentieverklaring is verstrekt, waarbij ook rekening is gehouden met verzoekster. Volgens SUWR is het niet de bedoeling dat, als een gezin tijdelijk opvang is verleend wegens huiselijk geweld en dat gezin vervolgens uitstroomt uit die opvang, meerdere urgentieverklaringen worden verstrekt. Verzoekster kan volgens SUWR bij haar moeder gaan wonen.
2.4.
Verzoekster verblijft nu in een tijdelijke woning van Arosa. Volgens Arosa kan verzoekster daar tot uiterlijk 24 april 2024 blijven.
Wat is het standpunt van verzoekster?
3. Volgens verzoekster is de beslissing op het bezwaar onvoldoende gemotiveerd. SUWR gaat er ten onrechte van uit dat verzoekster tot het huishouden van haar moeder behoort en dat zij bij haar moeder kan wonen. Tijdens de opvang bij Arosa zijn verzoekster en de rest van het gezin direct van elkaar gescheiden en de weinige momenten van contact resulteerden in mondelinge en soms fysieke confrontaties. Verzoekster vreest dat de verwerking van haar trauma’s moeizaam zal gaan als zij teruggaat naar haar moeder. Zij verwijst ter onderbouwing naar brieven van Arosa. De moeder van verzoekster heeft tegen verzoekster gezegd dat zij niet welkom is bij haar in huis. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat zij in het gezin een soort moederrol heeft vervuld en dat zij dat niet meer wil. Haar moeder verwacht echter dat zij nog steeds dezelfde verantwoordelijkheden zal dragen als vroeger. Omdat verzoekster tegen haar moeder heeft gezegd dat zij dat niet meer wil doen, is zij niet meer welkom bij haar moeder. SUWR stelt dat de relatie tussen verzoekster en haar moeder met therapie kan worden verbeterd, maar omdat er wachtlijsten zijn, is dit geen oplossing voor de korte termijn, aldus verzoekster.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
4.1.
De voorzieningenrechter kan, als de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure wegens spoedeisendheid niet kan worden afgewacht, een voorlopige voorziening treffen (zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, Awb). De voorzieningenrechter houdt daarbij rekening met de belangen van partijen.
4.2.
Hoewel duidelijk is geworden dat verzoekster in een moeilijke situatie zit en zij heel graag over eigen woonruimte zou beschikken, ziet de voorzieningenrechter in dit geval geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
4.3.
Daarbij is allereerst van belang dat de gevraagde voorlopige maatregel een onomkeerbaar gevolg kan hebben. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster wil dat wordt bepaald dat SUWR voorlopig moet handelen alsof verzoekster een urgentieverklaring heeft. Als de voorzieningenrechter dat doet, betekent dat dat verzoekster met voorrang kan gaan reageren op woningen en ook een woning kan verkrijgen. Op zichzelf is een dergelijke voorlopige voorziening niet uitgesloten. Maar in dit geval bestaat er te veel twijfel over de uitkomst van de beroepsprocedure.
4.4.
Het is tussen partijen niet in geschil dat verzoekster vóór de crisisopvang bij Arosa behoorde tot het gezin van de moeder en dat SUWR al een urgentieverklaring heeft verleend aan de moeder, waarbij ook rekening is gehouden met verzoekster. Dat SUWR onder die omstandigheden niet voor verzoekster apart een urgentieverklaring wil verlenen, acht de voorzieningenrechter in beginsel begrijpelijk en juist. Hoewel dit niet duidelijk uit de besluiten blijkt, gaat de voorzieningenrechter er daarbij van uit dat volgens SUWR de aanvraag niet toewijsbaar is omdat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem (artikel 2.3, tweede lid, aanhef en onder e, van bijlage 1 van de Huisvestingsverordening).
4.5.
Dat het voor verzoekster daadwerkelijk en definitief onmogelijk is om bij haar moeder te wonen, is in het kader van deze spoedprocedure niet voldoende duidelijk geworden. Uit de verklaringen van de hulpverleners van Arosa kan wel worden afgeleid dat het wenselijk zou zijn als verzoekster over eigen woonruimte zou beschikken en ook dat sprake is van spanningen tussen verzoekster en haar moeder, maar dat is niet voldoende om te concluderen dat verzoekster een urgent huisvestingsprobleem heeft. Ook op grond van de stelling van verzoekster dat zij niet meer welkom is bij haar moeder, kan in deze spoedprocedure niet worden geconcludeerd dat het voor verzoekster daadwerkelijk en definitief onmogelijk is om bij haar moeder te wonen. Deze stelling is niet met stukken onderbouwd. Ook is bijvoorbeeld niet gebleken dat (bijvoorbeeld door hulpverleners van Arosa) met de moeder van verzoekster contact is gelegd en dat daarbij is uitgelegd dat verzoeksters aanvraag voor een urgentieverklaring is afgewezen. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel ook het feit dat SUWR de regels over woonruimteverdeling moet toepassen tegen de achtergrond van een aanzienlijk tekort aan betaalbare woonruimte en lange wachtlijsten.

Conclusie en gevolgen

5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
5.2.
De voorzieningenrechter zal niet direct op het beroep beslissen (zie artikel 8:86, eerste lid, van de Awb). De voorzieningenrechter houdt er namelijk rekening mee dat verzoekster in de beroepsprocedure haar stelling dat zij niet bij haar moeder kan wonen, nader kan onderbouwen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. W. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.