Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning, bevolen door de kantonrechter wegens overlast, voor zes maanden op te schorten. De rechtbank stelt vast dat het vonnis van 31 januari 2024 tot ontruiming een bedreigende situatie vormt, aangezien de ontruiming gepland stond voor 4 maart 2024. Verzoeker kampt met psychische problemen en heeft een traject van schuldhulpverlening en begeleiding ingezet.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en zijn schuldhulpverlening wil voortzetten, tegen het belang van verweerster die het vonnis wil uitvoeren. Hoewel de kantonrechter de huurovereenkomst heeft ontbonden wegens huurachterstand en overlast, is het vonnis nog niet onherroepelijk vanwege een lopende verzetprocedure. De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen worden voldaan en dat de financiële situatie van verzoeker stabiel is.
Gezien de onduidelijkheid over de overlast en het belang van verzoeker, besluit de rechtbank het moratorium toe te kennen voor vier maanden in plaats van zes, met voorwaarden dat de huur tijdig wordt voldaan en dat schuldhulpverlening verslag uitbrengt. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.