ECLI:NL:RBROT:2024:3183

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 april 2024
Publicatiedatum
11 april 2024
Zaaknummer
10844919 \ CV EXPL 23-33260
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woning met langere termijn toegewezen

De huurder huurt sinds maart 2022 een woning en heeft een huurachterstand van €9.472,-. De verhuurder vordert betaling van deze achterstand en ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de achterstand ernstig genoeg is voor ontbinding, mede omdat de huurder geen toekomstperspectief biedt voor tijdige betaling.

De huurder heeft geen acute noodsituatie voor haar minderjarige kind gesteld en heeft aangegeven alternatieve woonruimte te zoeken. De belangen van het kind en persoonlijke omstandigheden weerhouden de rechter niet van ontbinding. Hoewel de verhuurder niet tijdig de gemeente heeft geïnformeerd over de huurachterstand, staat dit de ontbinding niet in de weg omdat vroegsignalering het oplopen van de achterstand niet had kunnen voorkomen.

De huurder moet de woning binnen één maand ontruimen, een langere termijn dan gebruikelijk, om voldoende tijd te hebben voor het vinden van nieuwe woonruimte. Tot de ontruiming moet zij een gebruiksvergoeding betalen. De verhuurder mag de woning niet zelf ontruimen; alleen een deurwaarder kan dat doen. Incassokosten worden afgewezen omdat de huurder niet conform de wet is geïnformeerd. De huurder moet de wettelijke rente en proceskosten betalen. Het vonnis is direct uitvoerbaar.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, de huurder moet de huurachterstand betalen en de woning binnen één maand ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10844919 \ CV EXPL 23-33260
datum uitspraak: 12 april 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. N. Agayev,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert,
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 1 december 2023, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de akte houdende vermeerdering van eis.
1.2.
Op 22 februari 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig de gemachtigde van [eiser] en [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 28 maart 2022 de woning aan de [adres] in Rotterdan van [eiser] . De huur is nu € 970,- per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiser] eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 9.472,- betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 9.472,- aan [eiser] te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting. De huur voor de maand februari 2024 zit hier dus bij.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. [1] De kantonrechter heeft in dit geval er rekening mee gehouden dat de huur sinds november 2022 niet of niet volledig wordt betaald. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat de huurprijs te hoog is voor haar. Zij werkt fulltime maar haar salaris is niet genoeg om de huur te kunnen voldoen. Er is dus geen toekomstperspectief dat [gedaagde] de komende huurpenningen voortaan tijdig zal gaan betalen of de opgelopen achterstand zal gaan inlopen. [gedaagde] heeft niet gesteld dat voor haar kind een (acute) noodsituatie zal ontstaan als zij de woning moet verlaten. Zij heeft op de zitting verklaard dat ze al afspraken heeft om andere goedkopere woonruimte te bezichtigen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de belangen van het kind zich in dit geval niet verzetten tegen een ontbinding van de huurovereenkomst. Datzelfde geldt voor de overige door [gedaagde] genoemde persoonlijke en financiële omstandigheden. De kantonrechter begrijpt dat het voor [gedaagde] niet makkelijk is, maar dat betekent niet dat zij de huur niet (op tijd) hoeft te betalen.
2.4.
[eiser] is verplicht om de acties uit te voeren die staan onder a tot en met d van artikel 2 Besluit Pro Gemeentelijke Schuldhulpverlening en om aan de gemeente de hoogte van de huurachterstand van [gedaagde] te melden.
Uit de dagvaarding blijkt dat [eiser] de melding nog geen maand voor de datum van de dagvaarding heeft gedaan. Dat is dus niet tijdig. Hoewel [eiser] daarmee niet aan zijn verplichting heeft voldaan, staat dat in dit geval toch niet in de weg aan de ontbinding en ontruiming. Een tijdige vroegsignalering had hier namelijk het steeds verder oplopen van de huurachterstand niet kunnen voorkomen. [gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat zij al eerder contact heeft gehad met de schuldhulpverlening van de betreffende gemeente, maar dit heeft niet geleid tot het gewenste resultaat. Schuldhulpverlening heeft dus niet kunnen helpen voorkomen dat de huurachterstand is opgelopen en er is geen aanwijzing dat dit nu anders zou zijn geweest.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.5.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen verlaten. Normaal gesproken zou dat binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis moeten. De kantonrechter ziet echter aanleiding om de ontruimingstermijn op één maand vanaf de datum van dit vonnis te bepalen. Reden voor deze langere ontruimingstermijn is dat [gedaagde] meer tijd heeft om andere woonruimte te vinden voor haar en haar minderjarige kind. Bovendien heeft de gemachtigde van [eiser] ter zitting heeft verklaard dat [eiser] bereid is enige tijd te wachten met ontruiming van de woning. Naar het oordeel van de kantonrechter moet één maand voldoende zijn voor [gedaagde] om onderdak voor haarzelf en haar kind te vinden. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 970,- per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro).
[eiser] mag de woning niet zelf ontruimen
2.6.
De kantonrechter machtigt [eiser] niet om de woning zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv Pro). Als [gedaagde] daar niet aan meewerkt, moet de deurwaarder aan de burgemeester vragen om erbij te zijn. De burgemeester kan zich laten vertegenwoordigen door de hulpofficier van justitie (artikel 444 en Pro 557 Rv).
Geen ontruimingskosten
2.7.
Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn. Daarom worden er geen ontruimingskosten toegewezen.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.8.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [eiser] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). In de brief die aan [gedaagde] is gestuurd worden de extra kosten direct doorberekend. [gedaagde] heeft dus niet de kans gekregen om het openstaande bedrag zonder extra kosten alsnog binnen vijftien dagen te betalen. De brief voldoet dus niet aan de wet.
[gedaagde] moet rente betalen
2.9.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.10.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
2.11.
De kantonrechter heeft ook onderzocht of een deel van de eis moet worden afgewezen omdat [gedaagde] onvoldoende of onjuiste informatie heeft gekregen. Dat is niet het geval. De kantonrechter is dus van oordeel dat [gedaagde] voldoende informatie heeft gekregen of dat een eventuele schending van een informatieplicht niet ernstig genoeg is om een deel van de eis af te wijzen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 129,86 aan dagvaardingskosten, € 244,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.186,86. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 9.472,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 december 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na de datum van dit vonnis de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 maart 2024 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiser] te betalen € 970,- per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.186,86;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
53954

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810