De huurder heeft van april 2021 tot maart 2023 een woning gehuurd en vanaf september 2022 de huur niet volledig betaald. De verhuurder vordert betaling van de huurachterstand vermeerderd met incassokosten en rente. De huurder betwist de hoogte van de achterstand vanwege vermeend achterstallig onderhoud en eigen werkzaamheden, maar onderbouwt dit niet met stukken.
De kantonrechter toetst ambtshalve het huurprijswijzigingsbeding en oordeelt dat dit beding oneerlijk en onredelijk bezwarend is omdat het verhuurder het recht geeft de huurprijs te verhogen boven een redelijke marktverwachting (CPI plus 1%). De bepaling wordt vernietigd, waardoor de oorspronkelijke huurprijs blijft gelden. Dit leidt tot een lagere vastgestelde huurachterstand.
De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van €2.437,39, buitengerechtelijke incassokosten van €276,79, wettelijke rente vanaf 1 april 2023 en proceskosten van €781,85. Betalingen na aanmaning worden in mindering gebracht, waardoor een restant van €1.764,18 resteert. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.