ECLI:NL:RBROT:2024:3272

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
10737738 CV EXPL 23-27161
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:265 BWArt. 6:267 BWArt. 7:213 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens ernstige tekortkomingen verhuurder na verkoop onderneming

In deze zaak heeft de verhuurder zijn onderneming verkocht aan een vennootschap die tevens huurder werd van het gehuurde kantoor. Op 29 maart 2023 heeft de verhuurder een server uit het gehuurde verwijderd, die onderdeel was van de verkochte onderneming, waardoor de bedrijfsvoering van de huurder ernstig werd belemmerd. Daarnaast heeft de verhuurder een van de huurders, tevens bestuurder, mishandeld, wat leidde tot zwaar lichamelijk letsel.

De huurder heeft de huurovereenkomst daarop buitengerechtelijk ontbonden en is gestopt met huurbetaling vanaf 1 mei 2023. De verhuurder vorderde betaling van de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en schadevergoeding, maar de kantonrechter oordeelde dat de verhuurder zich niet als goed verhuurder had gedragen en ernstig tekort was geschoten in zijn verplichtingen.

De kantonrechter stelde vast dat het wegnemen van de server zonder aankondiging en de mishandeling van de huurder ernstige tekortkomingen vormden die de ontbinding rechtvaardigen. De vorderingen van de verhuurder werden afgewezen, de beslagen opgeheven en de verhuurder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurovereenkomst is rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden vanwege ernstige tekortkomingen van de verhuurder.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10737738 CV EXPL 23-27161
datum uitspraak: 5 april 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
3. [gedaagde 3],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde: mr. K.G.K. Wanders.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en in enkelvoud ‘ [gedaagde 1] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 26 september 2023;
  • de akte houdende producties van [eiser] ;
  • het antwoord met een eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • de akte houdende overleggen beslagstukken, tevens antwoord in reconventie, met bijlagen;
  • de aanvullende producties 11 tot en met 14 van [gedaagde 1] ;
  • de brief van de gemachtigde van [gedaagde 1] van 23 februari 2023, met producties 14 tot en met 16;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] ;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde 1] .
1.2.
Op 5 maart 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] en zijn gemachtigde en [gedaagde 2] (mede namens [gedaagde 3] en indirect namens [gedaagde 1] ) en de gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiser] heeft zijn onderneming verkocht aan [gedaagde 1] . [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 3] . In het kader van de verkoop van de onderneming huurt [gedaagde 1] vanaf 1 maart 2022 voor de duur van 10 jaar de kantoorruimte aan [adres] van [eiser] . Tussen partijen is een zakelijk conflict ontstaan. In deze zaak gaat het alleen over de huurovereenkomst.
2.2.
De kernvraag in deze zaak is of [gedaagde 1] de huurovereenkomst op 18 april 2023 terecht buitengerechtelijk heeft ontbonden. [gedaagde 1] heeft dit gedaan vanwege twee voorvallen die op 29 maart 2023 hebben plaatsgevonden. Ten eerste heeft [eiser] op die dag de server uit het gehuurde meegenomen, waardoor [gedaagde 1] niet meer kon werken. Ten tweede heeft er die dag een confrontatie plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde 2] . Volgens [gedaagde 2] is hij daarbij ernstig mishandeld door [eiser] . [gedaagde 1] vindt dat [eiser] zich niet als goed verhuurder heeft gedragen. Het gaat om tekortkomingen van [eiser] die maken dat de huurovereenkomst mocht worden ontbonden. [gedaagde 1] betaalt vanaf 1 mei 2023 geen huur meer.
2.3.
[eiser] geeft een andere lezing van het gebeurde en vindt dat geen sprake is van een tekortkoming. De server behoort niet tot het gehuurde en is niet door hem aan [gedaagde 1] verkocht. Tijdens de confrontatie heeft hij zichzelf slechts verdedigd, waarbij [gedaagde 2] ongelukkig is gevallen. Daarnaast vindt hij dat als er al een tekortkoming is, die niet zo ernstig is dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst en de gevolgen daarvan rechtvaardigt (hij beroept zich op de ‘tenzij-bepaling’ van artikel 6:265 BW Pro). Verder vindt hij dat een ontbinding van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat in de huurprijs ook een bedrag aan aflossing zit voor de koopsom van de onderneming die [gedaagde 1] van [eiser] heeft gekocht. Hij wil daarom dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld de huurachterstand met de contractuele boete te betalen, dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld een schadevergoeding te betalen.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat de gebeurtenissen van 29 maart 2023 tekortkomingen aan de kant van [eiser] opleveren die een ontbinding van de huurovereenkomst door [gedaagde 1] rechtvaardigen. [gedaagde 1] mocht om die reden als huurder de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW Pro in combinatie met artikel 6:267 BW Pro buitengerechtelijk ontbinden. Daarom worden de vorderingen van [eiser] afgewezen. [gedaagde 1] heeft tegenvorderingen ingesteld. De kantonrechter zal voor recht verklaren dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en de door [eiser] gelegde conservatoire beslagen opheffen. [gedaagde 1] heeft geen recht op vergoeding van de volledige advocaatkosten. De kantonrechter licht haar oordeel hieronder toe.
[eiser] heeft zich niet als goed verhuurder gedragen
2.5.
De kantonrechter stelt voorop dat een huurder en een verhuurder zich ten opzichte van elkaar als een goed huurder en een goed verhuurder moeten gedragen. Voor de huurder is dit expliciet geregeld in artikel 7:213 BW Pro. Voor de verhuurder is dit niet expliciet geregeld in titel 4 van boek 7, maar dit volgt wel uit artikel 6:2 BW Pro. Dit artikel bepaalt dat partijen bij een overeenkomst zich over en weer redelijk en billijk naar elkaar toe moeten gedragen. [eiser] heeft zich door de gebeurtenissen op 29 maart 2023 niet als goed verhuurder gedragen. [eiser] is daarom tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Deze tekortkomingen zijn ernstig genoeg om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen.
[eiser] had de server niet weg mogen halen
2.6.
[eiser] heeft zich allereerst niet als goed verhuurder gedragen door de server met de netwerkschijven in de ochtend van 29 maart 2023 uit het gehuurde te verwijderen en daardoor de bedrijfsvoering van zijn huurder (tijdelijk) onmogelijk te maken. Dat hij dit heeft gedaan, staat vast. [eiser] heeft zijn onderneming verkocht en daar horen de gegevens bij die op deze server staan. Uit de koopovereenkomst blijkt ook dat de server door [eiser] meeverkocht is met de onderneming (artikel 2.1 onder h). Maar ook als waar zou zijn dat de server nog steeds van [eiser] was, zoals hij stelt, dan nog mocht hij deze niet zonder aankondiging meenemen. De onderneming is afhankelijk van deze gegevens en kan niet werken zonder deze gegevens. Als oud-eigenaar van de onderneming wist [eiser] dat zonder server de bedrijfsvoering van de onderneming ernstig zou worden gefrustreerd met financiële schade tot gevolg.
[eiser] heeft [gedaagde 2] ernstig mishandeld
2.7.
Daarnaast heeft [eiser] zich niet als goed verhuurder gedragen door [gedaagde 2] te mishandelen. De kantonrechter oordeelt dat deze mishandeling vast staat. Omdat [gedaagde 2] zelf een van de huurders is en ook de persoon achter [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , geldt de mishandeling van [gedaagde 2] door [eiser] als tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen als verhuurder tegen de gezamenlijke huurders.
2.8.
[gedaagde 2] en [eiser] hebben ieder een eigen lezing van de confrontatie die tussen hun heeft plaatsgevonden op 29 maart 2023. [gedaagde 2] stelt dat hij door [eiser] in het gezicht is geslagen en tegen zijn been is geschopt, waarna hij is gevallen. [eiser] stelt dat [gedaagde 2] hem sloeg met zijn mobiele telefoon in de hand en hem raakte op zijn gezicht en schouder, waarna hij hem uit zelfverdediging heeft geduwd. Beiden hebben over en weer aangifte gedaan.
2.9.
De lezing van [gedaagde 2] wordt ondersteund door het overgelegde bewijs. Getuige [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat zij de ruzie heeft gezien en dat zij zag dat de ene man de andere man op zijn gezicht sloeg, waarna het slachtoffer op de grond viel. Dit wordt ook bevestigd door getuige [naam 2] die heeft verklaard dat een vrouw tegen haar zei dat de man die op de grond lag was geslagen. In een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 29 maart 2023 staat dat [gedaagde 2] een zwelling aan de linkerzijde van zijn gezicht had die rood gekleurd was en blauw oplichtte. Op overgelegde foto’s is ook te zien dat [gedaagde 2] een blauw linkeroog heeft. Dit alles past bij de lezing van [gedaagde 2] dat hij in zijn gezicht is geslagen.
2.10.
Verder blijkt uit een medische verklaring dat zowel het rechterbovenbeen als de linkerkuit van [gedaagde 2] gezwollen was. [gedaagde 2] had zijn rechter heup gebroken. Het feit dat zijn linkerkuit gezwollen was, past bij zijn verhaal dat hij door [gedaagde 2] geschopt is. Het is niet waarschijnlijk dat hij door zijn val zowel zijn rechterheup als zijn linkeronderbeen heeft geblesseerd. Tot slot is relevant dat het Openbaar Ministerie heeft besloten [eiser] te dagvaarden om te verschijnen voor de meervoudige kamer ter zake mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend.
2.11.
De lezing van [eiser] wordt verder niet door enig bewijs ondersteund. Het Openbaar Ministerie heeft [gedaagde 2] ook laten weten hem niet als verdachte aan te merken omdat de tegenaangifte van [eiser] onvoldoende wordt ondersteund. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] hiermee de onderbouwde lezing van [gedaagde 2] onvoldoende heeft betwist. Dit betekent dat vast komt te staan dat [eiser] [gedaagde 2] heeft mishandeld en dat er van zelfverdediging geen sprake is geweest.
2.12.
Vast staat verder dat [gedaagde 2] door de mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zijn dijbeen/heup is op meerdere plaatsen gebroken. Hij heeft een zware operatie moeten ondergaan, waarbij ijzeren pinnen in het dijbeen zijn geplaatst. Hij heeft maandenlang moeten revalideren en het is nog steeds de vraag of hij nog op dezelfde wijze kan lopen en functioneren als voor de mishandeling. Daarnaast heeft hij een kneuzing in zijn gezicht opgelopen en zijn twee tanden afgebroken.
Beide tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding van de huurovereenkomst
2.13.
De hiervoor besproken twee acties van [eiser] leveren op zichzelf, maar zeker in combinatie gezien een zodanige ernstige tekortkoming op dat [gedaagde 1] de huurovereenkomst mocht ontbinden. De omstandigheid dat het gaat om een langdurige huurovereenkomst die nu al na korte tijd wordt ontbonden, maakt dit oordeel niet anders. Dit is een gevolg van de eigen acties van [eiser] en dat gevolg moet hij zelf dragen. Dat in de huurprijs een deel van de aflossing van de koopsom van de onderneming zou zijn opgenomen, betekent weliswaar een extra (nadelig) gevolg van de ontbinding voor [eiser] , maar de kantonrechter is van oordeel dat de gedragingen van [eiser] zo ernstig zijn dat de omstandigheid dat hij extra benadeeld wordt de ontbinding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maakt. In de gegeven omstandigheden was de ontbinding de (enige) voor de hand liggende optie voor [gedaagde 1] .
2.14.
De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat de acties (of in ieder geval de mishandeling) enkel te maken zouden hebben met de tussen hem en [gedaagde 1] gesloten koopovereenkomst, zodat ontbinding van de huurovereenkomst niet aan de orde zou zijn. [eiser] was nu eenmaal verhuurder van [gedaagde 1] en in die hoedanigheid had hij in ieder geval de server onaangeroerd moeten laten. Daarnaast kan de mishandeling niet (volledig) worden losgekoppeld van zijn positie als verhuurder. De verhuur was ook onderdeel van de afspraken over de verkoop van de onderneming.
2.15.
Omdat [gedaagde 1] de huurovereenkomst terecht heeft ontbonden, is zij met ingang van 1 mei 2023 terecht gestopt met het betalen van de huurprijs. [eiser] heeft vanaf deze datum dus geen vordering meer op [gedaagde 1] tot (door)betalen van de huur. Die vordering wordt daarom afgewezen. Nu de huurovereenkomst al door [gedaagde 1] is ontbonden, wordt ook de vordering van [eiser] om de huurovereenkomst te ontbinden afgewezen. De nevenvordering tot het betalen van incassokosten volgt het lot van de hoofdvorderingen en wordt daarom ook afgewezen.
Opheffen beslagen
2.16.
De beslagen die [eiser] heeft gelegd, zijn gebaseerd op zijn vordering tot nakoming van de huurovereenkomst. Die vordering wordt echter, zoals hiervoor overwogen, afgewezen. Dit betekent dat de door [eiser] gelegde beslagen geen grondslag hebben en daarom zal de kantonrechter deze opheffen, zoals in reconventie door [gedaagde 1] is gevorderd.
Proceskosten; geen volledige advocaatkosten
2.17.
[eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten in conventie aan de kant van [gedaagde 1] op € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 406,-). In reconventie worden deze kosten aan de kant van [gedaagde 1] begroot op € 406,- aan salaris voor de gemachtigde (1/2 × 2 punten × € 406,-). Voor kosten die [gedaagde 1] maakt na deze uitspraak moet [eiser] een bedrag betalen van € 135,-. Dat is in totaal € 1.353,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.
2.18.
[gedaagde 1] heeft geen recht op betaling van de volledige advocaatkosten. Artikel 28.2 van de toepasselijke algemene bepalingen maakt een uitzondering voor de “ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (Ver)Huurder te betalen proceskosten”. Dit betekent dat de proceskosten volgens het liquidatietarief worden berekend, zoals hiervoor is gedaan.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
wijst de vorderingen af;
In reconventie
3.2.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig door [gedaagde 1] is ontbonden;
3.3.
heft de door [eiser] gelegde conservatoire (derden)beslagen zoals genoemd in de conclusie van eis in reconventie op;
In conventie en in reconventie
3.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de kant van [gedaagde 1] worden begroot op € 1.353,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909