Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 11 maart 2024, met bijlagen 1 tot en met 20;
- het B2-formulier van 26 maart 2024 van gedaagde.
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure heeft de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie besloten de zaak door te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag. Dit besluit is genomen omdat de gedaagde een medewerker is van de rechtbank Rotterdam, waardoor behandeling door deze rechtbank ongewenst wordt geacht.
De procedure begon met een dagvaarding van 11 maart 2024 en een B2-formulier van 26 maart 2024. De rechtbank heeft de zaak niet inhoudelijk behandeld maar uitsluitend de verwijzing uitgesproken. De griffier van de rechtbank Rotterdam is opgedragen de processtukken en het vonnis over te dragen aan de griffier van de rechtbank Den Haag.
Het vonnis is bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 april 2024 door rechter J.M.J. Arts. Partijen worden door de griffier van de rechtbank Den Haag geïnformeerd over het verdere verloop van de zaak.
Uitkomst: De rechtbank Rotterdam verwijst de zaak door naar de rechtbank Den Haag vanwege de betrokkenheid van een medewerker als gedaagde.