Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan acht schuldeisers, waarbij een betaling van 21,43% aan concurrente schuldeisers wordt voorgesteld. Zes schuldeisers stemden hiermee in, maar twee schuldeisers, waaronder een met een vordering op basis van achterstallige kinderalimentatie, stemden niet in vanwege het betwisten van de goede trouw van de schulden.
De rechtbank beoordeelde of de weigering van deze twee schuldeisers tot instemming met de schuldregeling redelijk was, waarbij werd meegewogen dat de vorderingen van deze schuldeisers slechts een klein deel van de totale schuldenlast vormen. De regeling is door een onafhankelijke partij getoetst en goed gedocumenteerd, en verzoeker beschikt over een stabiele fulltime baan en staat onder beschermingsbewind.
De rechtbank concludeerde dat de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van de weigeraars. De schuldsaneringsregeling zou minder opleveren door bijkomende kosten. Daarom werd de gedwongen instemming bevolen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.